Meervoud A1 - A2

Het meervoud
Een is enkelvoud
Twee of meer is meervoud
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Het meervoud
Een is enkelvoud
Twee of meer is meervoud

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide


Wat is het meervoud van papier?

A
het papieren
B
de papieren
C
het papiertje
D
de papiers

Slide 3 - Quizvraag

Vul in:
Meneer Tim en meneer Tonny zijn onze ________
voor het vak horeca.

Slide 4 - Open vraag

Vul in:
De ______ steken hun vinger op.

Slide 5 - Open vraag

Vul in:
Er staan geen ______ in dit klaslokaal.

Slide 6 - Open vraag

Vul in:
Ik tel zeven ________
op de foto.

Slide 7 - Open vraag

Schrijf het meervoud op.
De taart - De ________

Slide 8 - Open vraag

De basisregel
Zo maak je het meervoud:
één voet - twee voeten
één wang - twee wangen
één arm - twee armen
één tand - tien tanden
Je maakt het meervoud vaak met -en

Slide 9 - Tekstslide

Let op! Woorden met een korte klank
een pan - vier pannen
een lip - twee lippen
een zus - vijf zussen
een bed - drie bedden
Heeft het enkelvoud een klinker met daarna één medeklinker?
Je schrijft het meervoud met twee medeklinkers.
Het enkelvoud en het meervoud hebben allebei een korte klank. 

Slide 10 - Tekstslide


Wat is het meervoud van mat?
A
maten
B
matten

Slide 11 - Quizvraag


Wat is het meervoud van hal?
A
hallen
B
halen

Slide 12 - Quizvraag

Schrijf het meervoud van kip op.

Slide 13 - Open vraag

Let op! Woorden met een lange klank
een been - twee benen
een oog - twee ogen
een muur - vier muren
een raam - vijf ramen 
Heeft het enkelvoud twee dezelfde klinkers met daarna één medeklinker? Eén klinker gaat weg in het meervoud.
Het enkelvoud en het meervoud hebben allebei een lange klank.

Slide 14 - Tekstslide

Wat is het meervoud van
'de schaar'?
A
de schaaren
B
de scharren
C
de scharen
D
de schaarren

Slide 15 - Quizvraag

Wat is het meervoud van
de muur?

Slide 16 - Open vraag

Ik kocht gisteren twee ________ (kool) op de markt.
A
kollen
B
koolen
C
kolen

Slide 17 - Quizvraag

Wat is het meervoud van:
de boon

A
bonen
B
bonnen
C
de bonen
D
de bonnen

Slide 18 - Quizvraag

Wat is het meervoud van straat?

Slide 19 - Open vraag

Wat is het meervoud van school?

Slide 20 - Open vraag

Let op! 
Woorden die eindigen op een -f of -s. 

Is de laatste letter een f ? Je schrijft het meervoud met een v.
een neef - twee neven
een vijf - vijf vijven 

Is de laatste letter een s ? Je schrijft het meervoud met een z :
een huis - vier huizen
een prijs - drie prijzen 

Slide 21 - Tekstslide

Wat is het meervoud van brief?

Slide 22 - Open vraag

Wat is het meervoud van doos?

Slide 23 - Open vraag

Dokter - dokters
Soms maak je het meervoud anders. 
Heeft een woord twee of meer lettergrepen? 
Na -e, -el, -en en -er schrijf je een -s in het meervoud.
een meisje - twee meisjes
een sleutel - twee sleutels
een jongen - drie jongens
een dokter - vier dokters

Slide 24 - Tekstslide

Wat is het meervoud van vinger?

Slide 25 - Open vraag

Wat is het meervoud van winkel?

Slide 26 - Open vraag

Wat is het meervoud van ijsje?

Slide 27 - Open vraag

Wat is het meervoud van slaapkamer?

Slide 28 - Open vraag

Wat is het meervoud van zon?

Slide 29 - Open vraag

Opdrachtenblad
Je maakt de opdrachten op het blad. 
Denk steeds goed na over de regel. 
Hulp nodig? Help elkaar of vraag het aan mij. 
De laptop blijft dicht!
Tijd: 15 minuten. 
Klaar? Bewaar je blaadje. Ga verder met grammatica in Disk.  
timer
15:00

Slide 30 - Tekstslide

Samen nakijken
Ruil je blaadje met iemand anders. 
Controleer de antwoorden van je medeleerling. 
Verbeter de verkeerde antwoorden. 
Geef je blaadje terug en kijk samen naar jullie fouten. 

Slide 31 - Tekstslide