TEKSTTONEEL | LES 1 Introductie Teksttoneel

TEKSTTONEEL | LES 1
Introductie Teksttoneel
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
DramaMBOMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1-3Studiejaar 1

In deze les zitten 15 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

TEKSTTONEEL | LES 1
Introductie Teksttoneel

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

OPWARMER | NAMENBAL
Onze afspraken tijdens drama
1. Luister naar elkaar en praat er niet doorheen.
2. Heb respect voor elkaar en blijf van elkaar af.
3. Blijf bij je groepje en werk samen aan de opdracht.
4. Ga voorzichtig om met onze materialen.
5. Telefoon in je kluisje.

Heeft docent hand omhoog? = wees stil en luister naar de uitleg.

Slide 2 - Tekstslide

Bespreek kort de regels van drama.
Tijdens de vorige les heeft elke klas afspraken met elkaar gemaakt. Dit is een samenvatting van alle afspraken.
Theaterdiscipline of theatervorm
Een theatervoorstelling bevat vaak meer dan toneelspel alleen. Hoe je het soort theatervoorstelling noemt is afhankelijk van waar de nadruk op ligt.  Dus wat is de VORM van het soort theater. 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Theaterdiscipline of theatervorm
Bijvoorbeeld: Fysiek theater - jeugdtheater - musical - soap - cabaret/kleinkunst - poppentheater - muziektheater - danstheater - schimmenspel - teksttoneel - multidisciplinair theater - locatietheater - improvisatietheater - etc. 


Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Teksttoneel
Veel theatervoorstellingen starten vanuit een tekst. Een toneelschrijver kan:
1. Een nieuw toneelstuk schrijven.
2. Een bestaand toneelstuk of boek bewerken.
3. De regisseur en acteurs maken/schrijven samen een tekst bij een gekozen onderwerp.

Vaak worden theaterteksten van een toneelschrijver uit het verleden gebruikt, omdat hun werk nog altijd relevant is.
Wie kent deze iconische toneelschrijver? ->


Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Shakespeare
Vaak worden theaterteksten van een toneelschrijver uit het verleden gebruikt, omdat hun werk nog altijd relevant is: Shakespeare (1564 - 1616)

Stukken waar je vast van hebt gehoord:
  • Hamlet
  • Romeo en Julia
  • Macbeth
  • Koning Lear
  • Midzomernachtdroom


Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samen lezen
Vallende Ster - Rick Dros

Slide 7 - Tekstslide

Vallende ster - Rick Dros
Samen lezen
In toneelteksten kom je tegen:
- Hoe de scène en de personages heten.
- Beschrijvingen van de scène en/of personages: Neventekst.
- Personage namen en wat zij moeten zeggen in de scène.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dit moet duidelijk zijn voor de acteurs en het publiek om het verhaal goed te kunnen begrijpen:                   

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dit moet duidelijk zijn voor de acteurs en het publiek om het verhaal goed te kunnen begrijpen: De 5 W's
  • WIE
  • WAT
  • WAAR
  • WANNEER
  • WAAROM


Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De Spelgegevens (5W's)
Dit moet duidelijk zijn voor de acteurs en het publiek om het verhaal goed te kunnen begrijpen:
  • WIE? Personages (wie zijn zij van elkaar?)
  • WAT? Situatie (wat doen zij?)
  • WAAR? Locatie (waar speelt de scène zich af?)
  • WANNEER? Dag en/of tijd (wanneer gebeurt de scène?)
  • WAAROM? Wat willen de personages bereiken?


Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Opdracht 1:
  1. Schrijf de titel
    van de tekst op je papier.
  2. Verdeel de rollen en lees de tekst hardop.
  3. Welke spelgegevens kan je uit de tekst halen?
    Schrijf de antwoorden op.
Belangrijk om een verhaal te begrijpen, voor zowel de acteurs als het publiek:
5 W'S/spelgegevens:

WIE? Personages
WAT? Situatie
WAAR? Locatie
WANNEER? Dag en tijd
WAAROM? Doel (wat wil je?)


Soms zijn de spelgegevens niet duidelijk. TIP: Wat denk jij zelf na het lezen van de tekst?
timer
5:00

Slide 12 - Tekstslide

Tekst: Excuus
Conflict

Tussen personages is er (bijna) altijd sprake van een conflict:
dit hoeft niet een enorme ruzie te zijn maar kan ook een dilemma, misverstand, meningsverschil of probleem zijn...

Denk nog terug aan de vorige scène... wat is het conflict?




Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht 2: Spelgegevens / 5W's
Lees alle 4 dialogen en schrijf van elk tekst de spelgegevens op:
  • Ruil bij de docent je dialoog om voor een nieuwe tekst.
  • Verdeel de rollen en lees de tekst hardop. 
  • Schrijf de spelgegevens op:
    Titel scène + de spelgegevens (5W's)
  • Alles gelezen? Schrijf als laatste op
    welke tekst je het liefst zou willen spelen en waarom? 




Waarom vind je het spannend, emotioneel, stoer, grappig? 
WIE? Personages
WAT? Situatie
WAAR? Locatie
WANNEER? Dag en tijd
WAAROM? Doel (wat wil je?)

Slide 14 - Tekstslide

Overige 3 teksten:
- Trek je dat aan?
- Dat moest er nog een bij komen ook
- Gezellig

Afronding les 1
  • Wat zijn de 5 spelgegevens?
  • De wie-wat-waar-wanneer-waarom van een scène (5W's)
  • Wat is de neventekst in een scène? 
  • De aanwijzingen of beschrijvingen in een tekst, die niet worden uitgesproken.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies