H6 Warmte

Welkom bij NaSk
Zet je Ipad weg, pak je pen en een blaadje. 
(Herhaling H6 Warmte)
Start opdracht: 
Een elektrische kachel heeft een vermogen van 1500 W.
Op een dag staat de kachel 2 uur aan.

Bereken hoeveel warmte de elektrische kachel die dag levert. 
Geef je antwoord in megajoule (MJ).
1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolvmbo k, gLeerjaar 3

In deze les zitten 47 slides, met tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 200 min

Onderdelen in deze les

Welkom bij NaSk
Zet je Ipad weg, pak je pen en een blaadje. 
(Herhaling H6 Warmte)
Start opdracht: 
Een elektrische kachel heeft een vermogen van 1500 W.
Op een dag staat de kachel 2 uur aan.

Bereken hoeveel warmte de elektrische kachel die dag levert. 
Geef je antwoord in megajoule (MJ).

Slide 1 - Tekstslide

H6 Warmte
Herhaling

Slide 2 - Tekstslide

6.1 Warmte en Temperatuur 
Leerdoelen:
6.1.1 Je kunt vier elektrische warmtebronnen noemen die je in huis of op school gebruikt.
6.1.2 Je kunt het energie-stroomdiagram van een elektrische warmtebron tekenen en toelichten.
6.1.3 Je kunt berekenen hoeveel warmte een elektrische warmtebron in een bepaalde tijd levert.
6.1.4 Je kunt het verband tussen temperatuur en tijd meten en weergeven in een diagram.


Slide 3 - Tekstslide

warmtebronnen
sommige warmtebronnen hebben elektriciteit nodig. dit noem je elektrische warmtebronnen.

denk aan een föhn, inductieplaat en soldeerbout

Slide 4 - Tekstslide

Elektrische warmtebron
Een elektrische warmtebron heeft altijd een ?

Slide 5 - Tekstslide

Elektrische warmtebronnen
Elektrische energie omzetten in warmte

Energiestroomdiagram:

Slide 6 - Tekstslide

Energie meten in Joule



E= Elektrische energie in Joule (J)
P = Vermogen in Watt (W)
t = tijd in seconden (s)

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Temperatuur, tijd en warmte
Temperatuur-tijddiagram:
Diagram waarin je de temperatuur (van bijvoorbeeld een vloeistof die je verwarmt) uitzet tegen de tijd.

Slide 9 - Tekstslide

Temperatuur, tijd en warmte
  • Als je een kleine hoeveelheid water   verwarmt, is er maar weinig warmte nodig   om het water aan de kook te brengen. 
  • De grafiek loopt in dat geval steil omhoog.
  • Als je een grote hoeveelheid water   verwarmt, is er veel warmte nodig. 
  • De grafiek stijgt in dat geval minder snel.
  • Daaraan zie je dat warmte en temperatuur twee verschillende grootheden zijn.

Slide 10 - Tekstslide

Aan de slag
Wat? Opdracht 1 t/m 8c
Waar? BLZ 79 t/m 83
Hoe? Eerste 5 minuten volledig stil! 

Klaar? Gewerkte maak laten checken, dan mag je je iPad pakken en het antwoorden boek openen via teams. 

Slide 11 - Tekstslide

6.2 Brandstoffen verbranden
Herhaling

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

6.2 Brandstoffen verbranden
Leerdoelen: 
6.2.1 Je kunt drie voorbeelden geven van warmtebronnen die chemische energie verbruiken.
6.2.2 Je kunt berekeningen uitvoeren met de verbrandingswarmte van een brandstof.
6.2.3 Je kunt het reactieschema van de volledige verbranding van aardgas noteren.
6.2.4 Je kunt uitleggen waarom je bij gastoestellen voor voldoende luchttoevoer moet zorgen.
6.2.5 Je kunt beschrijven hoe je op een veilige manier met een gasbrander kunt werken.
6.2.6 Je kunt de temperatuur omrekenen van graden Celsius (°C) naar kelvin (K), en omgekeerd.


Slide 14 - Tekstslide

Verbrandingswarmte

Slide 15 - Tekstslide

Verbrandingswarmte
De verbrandingswarmte is de hoeveel warmte die vrijkomt als je 1L, 1 kg of 1 m3 van een stof verbrandt.

Vaste stof -> MJ/kg
Vloeibaar -> MJ/L
Gas -> MJ/m^3

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Aardgas

Aardgas is nog steeds één van de meest gebruikte manieren om huizen te verwarmen. 

De brandbare stof in aardgas is methaan.


Aardgas bestaat verder ook nog uit stikstof. 

Methaan is geurloos, om lekken te ontdekken wordt er een geurstof aan toegevoegd.

Slide 19 - Tekstslide

Volledige en onvolledige verbranding

Volledige verbranding aardgas

  • Voldoende zuurstof
  •  Methaan + zuurstof ==> koolstofdioxide (CO2) + water (H2O)


Onvolledige verbranding

  • Onvoldoende zuurstof
  • Methaan + (weinig) zuurstof ==> koolstofmono-oxide (CO) + water (H2O)

Slide 20 - Tekstslide

Onvolledige verbranding
Volledige verbranding
 - koolstofdioxide
onvolledige verbranding
- koolstofmonooxide
  • giftig 
  • geurloos
  • kleurloos

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Aan de slag
Lees zelf de paragraaf door. 

Maak opgaves: 
1, 3, 4, 6, 7, 8 en 10 

Slide 23 - Tekstslide

6.3 Warmte transport
Herhaling

Slide 24 - Tekstslide

6.3 Leerdoelen
  1. Je kunt drie vormen van warmtetransport onderscheiden.
  2. Je kunt beschrijven hoe warmtetransport door geleiding plaatsvindt.
  3. Je kunt voorbeelden geven van goede en van slechte warmtegeleiders.
  4. Je kunt beschrijven hoe warmtetransport door stroming plaatsvindt.
  5. Je kunt beschrijven hoe warmtetransport door straling plaatsvindt.
  6. Je kunt uitleggen welke voorwerpen straling goed absorberen en welke niet.

Slide 25 - Tekstslide

Warmtetransport
Verschijnsel dat warmte uit zichzelf beweegt van de plaats met de hoogste temperatuur naar de plaats met de laagste temperatuur.

De warmte wordt van de cv-ketel naar de verschillende kamers in huis vervoerd. 
Daarbij kom je verschillende vormen van warmtetransport tegen.

Slide 26 - Tekstslide

Hoe verplaatst warmte zich?
Warmtetransport = Het verplaatsen van warmte

Warmte gaat altijd van een hoge temperatuur naar een lage temperatuur.

Dit kan op 3 manieren:
Geleiding -> Vaste stoffen
Stroming -> Vloeistoffen + Gassen
Straling -> Zonder tussenstof

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Hoe verplaatst warmte zich?
Geleiding
  • Vaste stoffen, de stof blijft op zijn plaats 
  • Stoffen die goed warmte doorgeven: Geleiders
  • Stoffen die slecht warmte doorgeven: Isolators
Stroming
  • Vloeistoffen en gassen 
  • Warmte gaat omhoog, kou gaat omlaag.
Straling
  • Geen tussenstof 
  • De zon geeft warmte stralen af. (infrarood)

Straling
Stroming

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Video

Absorberen of weerkaatsen
Donkergekleurde voorwerpen absorberen een groot deel van de straling die op ze valt. Daardoor stijgt hun temperatuur. 
Lichtgekleurde en glanzende voorwerpen absorberen maar weinig licht en infrarode straling. Ze kaatsen deze straling grotendeels terug. Daarom krijg je het in een wit T-shirt niet zo snel warm.

Slide 31 - Tekstslide

Aan de slag!
Maak opdracht: van paragraaf 6.3
1 t/m 10, blz 104 t/m 108

Slide 32 - Tekstslide

6.4 Isoleren
Herhaling

Slide 33 - Tekstslide

6.4 Leerdoelen
  1. Je kunt drie manieren beschrijven waarop een huis warmte verliest aan de omgeving.
  2. Je kunt uitleggen hoe het komt dat een goed geïsoleerd huis minder energie verbruikt.
  3. Je kunt vier manieren beschrijven om een woonhuis te isoleren tegen warmteverlies.
  4. Je kunt van elke manier van isoleren uitleggen hoe die het warmteverlies tegengaat.
  5. Je kunt uitrekenen hoeveel de bewoners door isolatie kunnen besparen in m3 aardgas en in euro’s.

Slide 34 - Tekstslide

Isolatie kan warmte binnen houden.
Of warmte buiten houden. 

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Video

Warmteverlies
Warmteverlies kan plaatsvinden door:
  • door geleiding plaatsvindt, de warmte beweegt door muren en ruiten   naar buiten.

  • door stroming plaatsvindt, stromende lucht neemt warmte mee naar   buiten. 

  • door straling plaatsvindt, ‘warme’ muren en ruiten stralen warmte uit.


Slide 38 - Tekstslide

Warmteverlies op een foto
Met behulp van een infrarood-camera kun je het warmteverlies van een huis laten zien.

Hoe dichter de kleur bij het rood komt op de rechter balk  hoe meer verlies.

Slide 39 - Tekstslide

Hoe houd je warmte binnen?
Als warmte zich niet kan verplaatsen, voorkom je dat het afkoelt = Isoleren


Geleiding tegengaan -> Isolerend materiaal gebruiken

Stroming tegengaan -> Gebruik maken van stilstaande lucht

Straling tegengaan -> Spiegelend of wit materiaal

Slide 40 - Tekstslide

Isolatie
Buiten is het vaak kouder dan binnen.
De warme lucht wil dus van binnen naar buiten. 

Als je je huis goed isoleert heb je dus minder warmteverlies.

Slide 41 - Tekstslide

Dubbelglas
Spouwmuurisolatie
Huis isoleren
Stralingsisolatie  
Dak- en vloerisolatie

Slide 42 - Tekstslide

Isolatie
Isolatiemateriaal bestaat uit kleine luchtzakjes. Lucht is een slechte warmtegeleider, en dus een goede isolator!

Slide 43 - Tekstslide

Energie en geld besparen
Door je huis te isoleren, kun je het energieverbruik voor verwarming flink omlaag brengen. Dat heeft voordelen voor het milieu, en het levert ook geld op. Elke kubieke meter aardgas die je bespaart, betekent minder luchtverontreiniging én een lagere energierekening. Natuurlijk kost isoleren ook geld. Het duurt een aantal jaren voor je de kosten van de isolatiemaatregelen weer hebt terugverdiend.

Slide 44 - Tekstslide

Voorbeeldopgave
Ina leest in een folder dat je met het isoleren van cv-leidingen veel energie kunt besparen: zo’n 10 m3 aardgas per meter leiding per jaar. Ina isoleert 18 m cv-leiding in haar huis. 1 m3 aardgas levert 32·106 J warmte. De gasprijs is € 0,75 per m3 (prijspeil 2020).

Hoeveel warmte bespaart Ina daarmee per jaar? 
En hoeveel geld bespaart ze door deze isolatie?

Slide 45 - Tekstslide

Voorbeeldopgave
Ina leest in een folder dat je met het isoleren van cv-leidingen veel energie kunt besparen: zo’n 10 m3 aardgas per meter leiding per jaar. Ina isoleert 18 m cv-leiding in haar huis. 1 m3 aardgas levert 32·106 J warmte. De gasprijs is € 0,75 per m3 (prijspeil 2020).

1) isolatie per m = 10 m3 minder aardgas      1 m3 aardgas levert 32∙106 J warmte
gasprijs = € 0,75 per m3
2) besparing in warmte = ? J                     besparing in geld = € ?
3) geen 'binasformule' voor deze berekening
4) Voor 18 m leiding is de besparing 18 × 10 = 180 m3 aardgas per jaar.
Dat komt overeen met 180 × 32∙106 = 5,8·109 J warmte.
5) Ina bespaart door de isolatie 180 m3 aardgas. 
                                       Dat is dus elk jaar 180 × € 0,75 = € 135,-.


Slide 46 - Tekstslide

Vragen? 
Ga nu zelf de lesstof doornemen. 


Slide 47 - Tekstslide