Ecologie - BS123

Ecologie - BS123
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 26 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 150 min

Onderdelen in deze les

Ecologie - BS123

Slide 1 - Tekstslide

BS1: Eten en gegeten worden
6.1.1 Je kunt beschrijven dat bij fotosynthese energierijke stoffen worden gevormd uit energiearme stoffen, en hoe bij verbranding die energie weer vrijkomt.
6.1.2 Je kunt de voedselrelaties tussen organismen beschrijven.

Slide 2 - Tekstslide

Voedselketen
In een sloot leven algen die worden opgegeten door watervlooien. De watervlooien worden opgegeten door vissen. Vissen worden opgegeten door een reiger.
Dit is een voorbeeld van een voedselketen. Een voedselketen is een reeks soorten, waarbij elke soort wordt gegeten door de volgende soort.

Algen zijn de eerste schakel in deze voedselketen. Elke voedselketen begint met een plant. De tweede en volgende schakels van een voedselketen zijn altijd dieren.

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Voedselweb
In een sloot komen verschillende voedselketens voor. Elke soort kan worden opgegeten door verschillende andere soorten. In een sloot lopen daardoor verschillende voedselketens door elkaar heen. Een reiger eet niet alleen vissen, maar ook kikkers. Al deze voedselrelaties samen noem je een voedselweb. Elk gebied heeft zijn eigen voedselweb, want in elk gebied leven andere soorten.

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Fotosynthese
Planten nemen koolstofdioxide op uit de lucht (zie afbeelding 3). Met hun wortels halen ze water uit de bodem. Van koolstofdioxide en water maakt de plant glucose en zuurstof. Dit proces heet fotosynthese.
Fotosynthese vindt plaats in bladgroenkorrels. Voor fotosynthese is energie nodig. Die energie haalt de plant uit zonlicht. Bij fotosynthese ontstaan zuurstof en glucose. Het grootste deel van de zuurstof wordt afgegeven aan de lucht. De fotosynthese kun je zo opschrijven:

Slide 7 - Tekstslide

Fotosynthese
• Bij fotosynthese verbruikt een plant de energiearme stoffen koolstofdioxide en water. Energiearme stoffen bevatten weinig energie.
• Bij fotosynthese ontstaan glucose en zuurstof. Zuurstof is energiearm, maar glucose bevat veel energie.
• Bij fotosynthese wordt lichtenergie vastgelegd in glucose. Van glucose en mineralen maakt de plant de energierijke stoffen waaruit hij bestaat (koolhydraten, eiwitten en vetten).
Mineralen (voedingszouten) zijn energiearme stoffen in de bodem. Planten nemen deze op via hun wortels.

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Verbranding
In een plant vindt verbranding plaats. Bij verbranding reageert een energierijke brandstof met zuurstof. Daarbij komt energie vrij. In alle cellen van organismen vindt voortdurend verbranding plaats.
De belangrijkste brandstof voor planten, dieren en mensen is glucose. Je kunt de verbranding van glucose zo opschrijven:

Slide 10 - Tekstslide

Verbranding
Bij fotosynthese wordt energie vastgelegd in glucose. Als glucose wordt verbrand, komt deze energie weer vrij. Organismen gebruiken die energie bijvoorbeeld voor groei en om te bewegen.


Fotosynthese en verbranding zijn voorbeelden van stofwisseling. Stofwisseling zijn alle processen in een organisme waarbij stoffen worden omgezet in andere stoffen.

Slide 11 - Tekstslide

Producenten en consumenten
Alleen organismen met bladgroenkorrels kunnen energiearme stoffen omzetten in energierijke stoffen. Daarom noem je deze organismen producenten. Dieren kunnen zelf geen energierijke stoffen maken. Ze moeten deze stoffen binnenkrijgen via hun voedsel. Dieren zijn consumenten: organismen die leven van energierijke stoffen die gemaakt zijn door producenten.

Slide 12 - Tekstslide

Producenten en consumenten
Planteneters zijn dieren die alleen planten eten. In een voedselketen zijn ze altijd de tweede schakel (nooit de derde of hoger). Planteneters noem je daarom consumenten van de eerste orde.
Alleseters zijn dieren die planten én dieren eten. Alleseters kunnen consument van de eerste orde of hoger zijn.
Vleeseters zijn dieren die alleen andere dieren eten; ze zijn altijd consumenten van de tweede orde of hoger.

Er zijn ook planten en dieren die sterven zonder te worden opgegeten. Allerlei afvaleters eten van deze dode organismen

Slide 13 - Tekstslide

Reducenten en kringloop
De resten die de afvaleters achterlaten, worden afgebroken door bacteriën en schimmels.
Bacteriën en schimmels zijn reducenten. Reducenten zetten de energierijke stoffen uit dode planten en dieren om in energiearme stoffen: koolstofdioxide, water en mineralen. Planten kunnen deze energiearme stoffen weer opnemen. Zo ontstaat een kringloop waarbij de stoffen steeds opnieuw worden gebruikt.

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

BS2: Piramiden
6.2.1 Je kunt omschrijven wat piramiden van aantallen en van biomassa weergeven.
6.2.2 Je kunt beschrijven op welke manieren energie uit de voedselketen verdwijnt.

Slide 16 - Tekstslide

Piramide van aantallen
In een voedselketen wordt het aantal organismen meestal in elke volgende schakel kleiner. In een piramide van aantallen wordt weergegeven hoeveel organismen in elke schakel voorkomen. Het aantal producenten is groter dan het aantal planteneters. Het aantal planteneters is weer groter dan het aantal dieren dat de planteneters opeet.

Dit is niet altijd zo. In een bos is het aantal bomen kleiner dan het aantal planteneters (slakken, rupsen, kevers). Dat grote aantal planteneters wordt weer opgegeten door een kleiner aantal vogels. Een piramide van aantallen heeft dus niet altijd de vorm van een piramide.

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Piramide van biomassa
Elk organisme bestaat uit energierijke en energiearme stoffen. De totale hoeveelheid aan energierijke stoffen in een organisme is de biomassa van dat organisme. In een voedselketen kun je aangeven hoeveel biomassa elke schakel heeft.

Je zag dat de biomassa van de planten veel groter is dan de biomassa van de dieren die deze planten eten. De biomassa van de planteneters is weer groter dan de biomassa van de insectenetende vogels.
In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel altijd kleiner. In de piramide van biomassa wordt de biomassa van elke schakel van een voedselketen weergegeven. De piramide van biomassa heeft altijd een piramidevorm.


Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Energie in de voedselketen
Planten leggen door fotosynthese zonne-energie vast in energierijke stoffen. Planten gebruiken een deel van deze stoffen voor groei (toename biomassa) en een deel voor de verbranding. De energierijke stoffen uit de biomassa van de planten worden doorgegeven aan de planteneters en alleseters in de volgende schakel van de voedselketen. Maar niet alle planten worden opgegeten. Als planten sterven, worden de energierijke stoffen gebruikt door de reducenten en niet door de planteneters. De eerste schakel van de consumenten bevat daardoor een kleinere hoeveelheid energierijke stoffen dan de schakel van de producenten. De biomassa van de consumenten is dus kleiner dan de biomassa van de producenten.

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Energie in de voedselketen
De energierijke stoffen die de consumenten in het lichaam opnemen, worden gebruikt als brandstoffen en bouwstoffen. Een dier moet voor elke kilogram dat het groeit vele kilogrammen voedsel eten. Niet alles wat het dier eet, wordt omgezet in biomassa. Het grootste deel wordt verbrand of uitgescheiden. Bij uitscheiding verlaten onverteerbare stoffen het lichaam via de ontlasting (poep). De energie uit deze stoffen verdwijnt zo uit de voedselketen.

Brandstoffen geven energie voor beweging en warmte. Deze energie kan niet meer worden doorgegeven aan de volgende schakel in de voedselketen. Bouwstoffen worden gebruikt om te groeien. Als het dier wordt opgegeten, wordt de energie in de bouwstoffen doorgegeven aan de volgende schakel in de voedselketen.

Slide 23 - Tekstslide

BS3: Koolstofkringloop
6.3.1 Je kunt de koolstofkringloop beschrijven.

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Aan de slag
Wat moet er af zijn?
- Thema planten basisstof 1 tm 7
- Thema ecologie basisstof 1 tm 3

Daarna?
Oefentoetsen!

Slide 26 - Tekstslide