De inkoopwaarde is de inkoopprijs van de verkochte producten.
De brutowinst is de toegevoegde waarde van alle verkochte producten samen.
brutowinst = omzet - inkoopwaarde van de omzet
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3
In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.
Lesduur is: 45 min
Onderdelen in deze les
4.3 Omzet en winst
Brutowinst
De inkoopwaarde is de inkoopprijs van de verkochte producten.
De brutowinst is de toegevoegde waarde van alle verkochte producten samen.
brutowinst = omzet - inkoopwaarde van de omzet
Slide 1 - Tekstslide
Ingrid van Boven
ivb@reynaert.nl
Iedere les meenemen:
laptop
rekenmachine
boek
Slide 2 - Tekstslide
Herhalen 4.1 en 4.2
Noem de 4 productiefactoren?
Wat is een bedrijfskolom?
wat is toegevoegde waarde?
Wat zijn constante en variabele kosten?
Welke 4 soorten bedrijfskosten zijn er?
Wat zijn afschrijvingskosten?
Slide 3 - Tekstslide
H4 Produceren
4.3 Omzet en winst
Slide 4 - Tekstslide
4.3 Omzet en winst
Ik kan de omzet van een bedrijf berekenen.
Ik kan de kostprijs en verkoopprijs van een product berekenen.
Ik kan de verkoopprijs inclusief btw en exclusief btw berekenen.
Ik kan de winst van een bedrijf berekenen.
Slide 5 - Tekstslide
Met onze klas verkopen we 200 hamburgers aan € 5,00 per stuk. Hoeveel geld hebben we in totaal verdiend?
Slide 6 - Open vraag
4.3 Omzet en winst
Omzet
De omzet(TO)is de totale opbrengst van je verkoop.
De afzet(Q) is het aantal verkochte producten.
De verkoopprijs(P) is de prijs waarvoor je verkoopt.
omzet = verkoopprijs x afzet
TO = P x Q
Slide 7 - Tekstslide
Een week later doen we dezelfde actie opnieuw. Deze keer hebben we een omzet van € 1.250. Geef 2 mogelijke verklaringen.
Slide 8 - Open vraag
Ron verkoopt 300 ijsjes op het strand van Perkpolder aan € 1,50 per stuk. Zelf kocht hij de ijsjes in aan € 0,50 per stuk. Bereken zijn omzet.
Slide 9 - Open vraag
Een dierenarts heeft een omzet van € 110.000 per jaar. Daarvan verdient ze € 75.000 met de verkoop van medicijnen. De rest van de omzet komt uit consulten. Eén consult kost € 50. Hoeveel consulten doet deze dierenarts per jaar?
Slide 10 - Open vraag
4.3 Omzet en winst Oefenen
Maak opdracht 25 + 26 op blz. 116-117
timer
6:00
Slide 11 - Tekstslide
vaste kosten hamburgerverkoop
Slide 12 - Woordweb
variabele kosten hamburgerverkoop
Slide 13 - Woordweb
Als de verkoop daalt, welke kosten nemen dan af?
A
vaste kosten
B
variabele kosten
C
beide
D
geen
Slide 14 - Quizvraag
Wat is de kostprijs?
Slide 15 - Open vraag
4.3 Omzet en winst
Kostprijs
De kosten die je maakt om te produceren zijn:
vaste kosten (constante kosten)
variabele kosten
kostprijs = (vaste kosten / aantal producten) + variabele kosten
Slide 16 - Tekstslide
Van een bedrijf zijn de vaste kosten € 7.000, de variabele kosten per product zijn € 0,30. Het bedrijf produceert 35.000 producten. Wat is de kostprijs per product?
Slide 17 - Open vraag
4.3 Omzet en winst
Verkoopprijs
verkoopprijs = kostprijs + winstmarge
De winstmarge is vaak een percentage van de kostprijs.
Winst is de beloning voor productiefactor ondernemerschap.
Slide 18 - Tekstslide
kostprijs
€ 0,80
verkoopprijs
€ 1,20
winstmarge
+ € 0,40
Slide 19 - Tekstslide
De winstmarge is 25% van de kostprijs. Hoe veel procent is de kostprijs?
A
100%
B
125%
C
75%
Slide 20 - Quizvraag
We willen t-shirts verkopen, deze hebben een kostprijs van 4 euro. We gebruiken een winstmarge van 80%.
Wat word de verkoopprijs?
Slide 21 - Open vraag
4.3 Omzet en winst Oefenen
Maak oefening 28 en 29
timer
10:00
Slide 22 - Tekstslide
Een televisie heeft een kostprijs van € 600. De winkelier rekent een winstmarge van 120%.
Op een tv betaalt een consument 21% BTW. Voor welk bedrag wordt de televisie verkocht?
Slide 23 - Open vraag
Ik koop een PS5 voor € 442 inclusief BTW.
De winkelier moet de BTW doorstorten aan de Belastingdienst. Hoeveel verdient de winkelier met de verkoop van een PS5?
Slide 24 - Open vraag
4.3 Omzet en winst
Inclusief en exclusief btw
prijs incl. btw = verkoopprijs x (1 + btw- tarief)
9% (basisbehoeften zoals levensmiddelen en geneesmiddelen)
21% (alle overige goederen en diensten)
Slide 25 - Tekstslide
De consument betaalt btw aan de winkelier bij aankoop van een product of dienst.
A
Juist
B
Fout
Slide 26 - Quizvraag
De consumentenprijs is de prijs van een product exclusief btw.
A
Juist
B
Fout
Slide 27 - Quizvraag
Als je van de consumentenprijs de btw aftrekt, dan ken je de verkoopprijs.
A
Juist
B
Fout
Slide 28 - Quizvraag
4.3 Omzet en winst Oefenen
Maak opdrachten 31. 32 en 33
timer
10:00
Slide 29 - Tekstslide
0
Slide 30 - Video
Welke omschrijving past het best bij het begrip inkoopwaarde (van de omzet)?
A
Het aantal producten dat je hebt ingekocht om te verkopen.
B
Alle kosten die je maakt om producten te kunnen inkopen.
C
Alle kosten die je maakt om te kunnen verkopen.
D
Het bedrag dat je hebt betaald voor producten die je hebt verkocht
Slide 31 - Quizvraag
4.3 Omzet en winst
Brutowinst
Inkoopwaarde van de omzet: inkoopprijs x aantal verkochte producten.
De brutowinst is het bedrag dat overblijft van de omzet na aftrek van de inkoopwaarde van de omzet .
brutowinst = omzet - inkoopwaarde van de omzet
Slide 32 - Tekstslide
De omzet is € 25.000 en de inkoopwaarde is € 14.000. Hoeveel is de brutowinst?
Slide 33 - Open vraag
Joyce heeft een lampenwinkel. Haar omzet in januari dit jaar is € 22.000. In dezelfde maand vorig jaar was dat € 20.000. Wat is er veranderd aan de omzet?
A
De omzet is gestegen met € 22.000.
B
De omzet is gestegen met € 2.000.
C
De omzet is gedaald met € 2.000.
D
De omzet is gedaald met € 20.000.
Slide 34 - Quizvraag
De omzet van de kledingwinkel van Joost is € 35.000, de inkoopwaarde is € 15.000 en de kosten zijn € 7.500. De brutowinst is:
A
€ 20.000
B
€ 12.500
C
€ 2.500
D
€ 75.000
Slide 35 - Quizvraag
4.3 Omzet en winst
Nettowinst
Bedrijfskosten zijn de kosten die een producent maakt om te kunnen produceren/verkopen.
De nettowinst is het bedrag dat overblijft na aftrek van alle kosten.
nettowinst = brutowinst - bedrijfskosten
Slide 36 - Tekstslide
Hoe bereken je de nettowinst?
A
omzet - bedrijfskosten
B
omzet - inkoopwaarde - bedrijfskosten
C
omzet - brutowinst
D
omzet - brutowinst - bedrijfskosten
Slide 37 - Quizvraag
Hoe bereken je de nettowinst?
A
brutowinst - inkoopwaarde = nettowinst
B
omzet - bedrijfskosten = nettowinst
C
inkoopwaarde - bedrijfskosten = nettowinst
D
brutowinst - bedrijfskosten = nettowinst
Slide 38 - Quizvraag
De omzet van de kledingwinkel van Joost is € 35.000, de inkoopwaarde is € 15.000 en de kosten zijn € 7.500. De nettowinst is: