V3 - H4 formuleren incongruentie en onjuiste inversie

1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze les
  • Wat zijn incongruentie en onjuiste inversie?

  • Uitleg: incongruentie en onjuiste inversie met oefeningen
  • Maken: H4 formuleren opdracht startopdracht, 1, 2. 

Slide 2 - Tekstslide

H4 formuleren
Doel: je kan incongruentie en onjuiste inversie herkennen en verbeteren. 

Incongruentie = onjuiste samenhang tussen de persoonsvorm en het onderwerp in de zin (op het gebied van getal of persoon). 
Onjuiste inversie = als inversie onjuist is toegepast

In H4 grammatica zinsdelen leerde je hoe je congruentie en inversie juist toepast. Bij H4 formuleren leer je de fouten herkennen en verbeteren. 

Slide 3 - Tekstslide




Wat is hier fout gegaan?
Is het incongruentie of foutieve inversie?
Hoe verbeter je dit?

Slide 4 - Tekstslide

Incongruentie
  • Onderwerp en persoonsvorm moeten beide enkelvoud of beide meervoud zijn. Anders is er sprake van incongruentie.
  • Incongruentie leidt tot ongrammaticale zinnen. 
  • Oplossing? Je kunt incongruente zinnen verbeteren door de persoonsvorm in het juiste getal te zetten: enkelvoud of meervoud.  

Slide 5 - Tekstslide

Incongruentie
Let op bij:
1. Onderwerpen die meervoud zijn, maar voor enkelvoud worden aangezien: media, politici, antibiotica, musea, etc. 
2. Onderwerpen die meervoud lijken, maar enkelvoud zijn vanwege de kern: Een groep wandelaars, een aantal jongens, een school vissen, de meerderheid van de leerlingen, etc.
3. Andere zinsdelen tussen de persoonsvorm en het onderwerp. Hierdoor raak je afgeleid van wat het eigenlijke onderwerp in de zin is. 
4. Het meewerkend voorwerp. Soms wordt het meewerkend voorwerp ten onrechte voor het onderwerp aangezien. Kijk goed wie iets doet in de zin. 

Slide 6 - Tekstslide

Wanneer is er sprake van congruentie?
A
De pv komt niet overeen met het o in persoon en getal
B
De pv komt overeen met het o in persoon en getal
C
De pv komt overeen met het lv in persoon en getal
D
De pv komt niet overeen met het lv in persoon en getal

Slide 7 - Quizvraag

Wanneer is er sprake van incongruentie?
A
Bij een mv o hoort een ev pv
B
Bij een ev o hoort een ev pv
C
Bij een mv o hoort een mv pv
D
Bij een ev o hoort een mv pv

Slide 8 - Quizvraag

In welke situatie kan er sprake zijn van incongruentie?
A
Een mv o wordt voor ev aangezien.
B
Een o met enkelvoudige kern wordt gevolgd door mv bijv.bep.
C
Een lv wordt vergeleken met de pv.
D
Een mw wordt ten onrechte voor het o aangezien.

Slide 9 - Quizvraag

Een groot aantal mensen zijn naar de bijeenkomst gekomen.
A
congruentie
B
incongruentie

Slide 10 - Quizvraag

Volgens Van Gaal geeft de media een verkeerde weergave van de gebeurtenissen.
A
congruentie
B
incongruentie

Slide 11 - Quizvraag

Een aantal mensen komt altijd te laat.
A
congruentie
B
incongruentie

Slide 12 - Quizvraag

30 procent van de mensen zijn vaker zien dan twee keer per jaar.
A
congruentie
B
incongruentie

Slide 13 - Quizvraag

Is hier sprake van congruentie of incongruentie: Het blijkt dat de jeugd in ons land tamelijk veel alcohol drinken.
A
Congruentie
B
Incongruentie

Slide 14 - Quizvraag

Slide 15 - Video

Stappenplan inversie
1. Kijk of je te maken hebt met hoofdzin+hoofdzin (nevenschikkend) of hoofdzin+bijzin (onderschikkend). Hoofdzin+hoofdzin herken je aan de voegwoorden: en, maar, dus, of, want. 

2. Hoofdzinnen hebben altijd de volgorde onderwerp-persoonsvorm. Controleer of dit klopt, indien je te maken hebt met twee hoofdzinnen. 

3. Verbeter de zin indien nodig: draai persoonsvorm-onderwerp om. 

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide