Klas 2C: 5 maart 2026

Programma 5 maart 2026
1. Eindletterspel met adjectieven/ bijvoeglijke naamwoorden
2. Herhaling normale zinsvolgorde
3. Oefening normale zinsvolgorde
4. Energizer (sta achter je stoel)
5. Rally coach: Een hoofdzin met 1 werkwoord in de tegenwoordige tijd maken, die eerst in de verleden tijd zetten en daarna in de voltooide tijd. 
Chocolaatjes voor het tweetal met de minste fouten :-)
5. Wie is de bedrieger?
6. Zebra H. 8/ 15 (H.8: begeleid/ H.15 zelfstandig; H.15: begeleid/ H.8: zelfstandig)
7. Join My Quiz: voltooide tijd regelmatige werkwoorden. (Gezamenlijke afsluiting van de les.)
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2PraktijkonderwijsLeerjaar 2

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Programma 5 maart 2026
1. Eindletterspel met adjectieven/ bijvoeglijke naamwoorden
2. Herhaling normale zinsvolgorde
3. Oefening normale zinsvolgorde
4. Energizer (sta achter je stoel)
5. Rally coach: Een hoofdzin met 1 werkwoord in de tegenwoordige tijd maken, die eerst in de verleden tijd zetten en daarna in de voltooide tijd. 
Chocolaatjes voor het tweetal met de minste fouten :-)
5. Wie is de bedrieger?
6. Zebra H. 8/ 15 (H.8: begeleid/ H.15 zelfstandig; H.15: begeleid/ H.8: zelfstandig)
7. Join My Quiz: voltooide tijd regelmatige werkwoorden. (Gezamenlijke afsluiting van de les.)

Slide 1 - Tekstslide

1. Eindletterspel met adjectieven/ bijvoeglijke naamwoorden (Regels?)
klein: een klein kind (het kind: dus zonder -e)
Wat doe je wanneer je niet weet of het zelfstandig naamwoord een de- of het-woord is?
nieuw: de nieuwe tas
w.....

Slide 2 - Tekstslide

2. Herhaling normale zinsvolgorde (5 zinsdelen)
Het onderwerp (Wie of wat doet de actie?)
Het werkwoord (Actiewoord)
De tijd (Tijd van nu)
Een object (Dit zinsdeel is optioneel)
De plaats (Waar gebeurt het?)
Voorbeeld:
De klok hangt nu scheef aan de muur.

Slide 3 - Tekstslide

3. Oefening normale zinsvolgorde (op papier)
1. Een onderwerp in het enkelvoud
2. Een werkwoord in de tegenwoordige tijd dat goed bij jouw onderwerp past (geen hebben of zijn of worden). Let op! Vervoeg je werkwoord correct!
3. Een tijd van nu (de tegenwoordige tijd)
4. Een object: laat hiervoor wat ruimte over en vul dit als laatste in.
5. Een plaats (begin met een voorzetsel: in het park)
Voorbeeld: Mijn vriend voetbalt straks samen met mij in het park.
Begin met een hoofdletter, eindig met een punt en let altijd op de spelling!

Slide 4 - Tekstslide

Je ziet tien woorden in de volgende dia. 

Je krijgt 2 minuten de tijd om de woorden in de juiste volgorde te onthouden. Daarna krijg je 2 minuten om die woorden in dezelfde volgorde op te schrijven. Wie heeft de meeste woorden goed opgeschreven?

Slide 5 - Tekstslide

1. onderwerp
2. werkwoord
3. tijd
4. object
5. plaats
6. hoofdletter
7. punt
8. spelling
9. zinsdelen
10. hoofdzin
timer
2:00

Slide 6 - Tekstslide

Schrijf de woorden op het papiertje.
Let op je spelling!
timer
2:00

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Video

Het voltooid deelwoord?(regelmatig werkwoorden: soft ketchupx)
werkwoord: spelen 

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Wat is het voltooid deelwoord van
"wachten"?
timer
0:30
A
gewacht
B
gewachtt
C
gewachd
D
gewach

Slide 12 - Quizvraag

Zet deze zin in de verleden tijd:
De hond rent nu blij naar zijn baasje.
timer
1:00

Slide 13 - Open vraag

Zet deze zin in de voltooide tijd:
De hond rende vorige week blij naar zijn baasje.
timer
1:00

Slide 14 - Open vraag

5. Een hoofdzin met 1 werkwoord in de tegenwoordige tijd maken, die eerst in de verleden tijd zetten en daarna in de voltooide tijd.
Voorbeeld:
De man werkt vandaag (niet) in Amsterdam.
De man werkte vorige week (niet) in Rotterdam.
De man heeft heel vaak (niet) in Zoetermeer gewerkt. (het v.d staat aan het einde van de zin)

Begin met een hoofdletter, eindig met een punt en let altijd op de spelling!

Slide 15 - Tekstslide

Maak nu samen 3 zinnen (met 4 of 5 zinsdelen) in de tegenwoordige tijd en zet dezelfde zin eronder eerst in de verleden tijd en daarna in de voltooide tijd.
Dus 9 zinnen in totaal.

(onderwerp-werkwoord-tijd-object-plaats)




Chocola voor het tweetal met de minste fouten :-)

Klaar?

Speel de wordwall in de volgende dia.

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Link

Zebra H.15

H.15: Zelfstandig: ----->



p. 282-283
oef. 11
p.284
oef.12
p.286-287
oef.16
p.288-289-290
oef. 21

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Link