Als de dichtheid van een stof gelijk is dan die van water, zinkt deze stof in water.
A
Juist
B
Onjuist
C
Kun je niet weten
Slide 13 - Quizvraag
Als de dichtheid van een stof gelijk is dan die van water, drijft deze stof in water.
A
Juist
B
Onjuist
C
Kun je niet weten
Slide 14 - Quizvraag
Warmte en temperatuur
Temperatuur: graden Celcius (ºC)
- is een grootheid.
- is een maat voor de snelheid van moleculen.
Hoe hoger te temperatuur, des te sneller bewegen
de moleculen.
Hoe hoger de temperatuur, des te meer
bewegingsenergie.
Slide 15 - Tekstslide
Warmte en temperatuur
Faseovergang:
- de bindingen tussen de moleculen wordt verbroken.
Als je warmte (energie) aan een voorwerp
toevoegt, stijgt de temperatuur van het voorwerp.
De toegevoegde warmte wordt gebruikt om de bindingen tussen de moleculen te verbreken.
Slide 16 - Tekstslide
Warmte en temperatuur
Warm of Warmte
Temperatuur
Energie
Slide 17 - Tekstslide
Warmte is hetzelfde als temperatuur.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 18 - Quizvraag
Aan een stof wordt warmte toegevoegd. Deze warmte wordt gebruikt om de bindingen tussen de moleculen sterker te maken.
A
juist
B
onjuist
C
kun je zo niet zeggen
Slide 19 - Quizvraag
Warmte is een maat voor de .......... van moleculen
A
grootte
B
vorm
C
snelheid
D
hoeveelheid
Slide 20 - Quizvraag
De temperatuur van eens tof stijgt als de snelheid van de moleculen .......... wordt.
A
groter
B
kleiner
C
kun je zo niet zeggen
Slide 21 - Quizvraag
Warmtetransport
Warmte gaat van een plek met een hoge temperatuur naar een plek met een lage temperatuur.
Slide 22 - Tekstslide
Warmtetransport
Slide 23 - Tekstslide
Warmtegeleding in stoffen
Warmtestroom hangt af van:
- dikte van de wand
- oppervlakte van de wand
- temperatuurverschil
binnen/buiten
- materiaal van de wand
Warmtestroom
Slide 24 - Tekstslide
Warmte stroomt van koud naar warm.
A
onjuist
B
juist
Slide 25 - Quizvraag
Lucht is een goede warmtegeleider.
A
onjuist
B
juist
Slide 26 - Quizvraag
De beste warmtegeleider uit deze vier stoffen is?
A
beton
B
hout
C
gipsplaat
D
koper
Slide 27 - Quizvraag
Als je met een houten lepel in een pan roert brand je niet je vingers. Er is nauwelijks .................. in de lepel. ?
A
stroming
B
straling
C
geleiding
Slide 28 - Quizvraag
Voorbereiden op een Toets!
Lees de tekst van de paragraaf door;
Maak een lijst van de signaalwoorden/begrippen (blauw gedrukte woorden) met de betekenis;
Lees 'Samengevat'. Snap je het? Prima, zo niet lees de tekst (of een gedeelte) nog eens door en pak je lijst met signaalwoorden erbij totdat je alles begrijpt.
Maak opgaven, misschien ook uit de groene, blauwe - of paarse route;
Kijk je opgaven goed na, weet wat je goed doet en nog niet goed doet.
Lees 'Je kunt nu'. Kun je dat? Prima, zo niet maak nog wat opgaven totdat je alles met ja kunt beantwoorden;