cross

B3 H5 Werkwoordspelling (persoonsvorm in de tt)

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nederlandsvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 1 - Tekstslide

DOEL

SPELLING VAN DE PERSOONSVORM IN

DE TEGENWOORDIGE TIJD

- je weet hoe je de persoonsvorm vindt

- je kent de stam van een werkwoord

- je kunt de persoonsvorm in de tt goed spellen

Slide 2 - Tekstslide

PERSOONSVORM

- Eerder heb je geleerd hoe je de persoonsvorm kan vinden


- De persoonsvorm is altijd een werkwoord



Slide 3 - Tekstslide

Hoe vind je de persoonsvorm?

Slide 4 - Open vraag

PERSOONSVORM VINDEN

1. Verander de zin van tijd. Het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm


Bijvoorbeeld:

- Ik fiets naar school

- Ik fietste naar school

Slide 5 - Tekstslide

PERSOONSVORM VINDEN

2. Maak de zin vragend. Het werkwoord dat vooraan komt te staan is de persoonsvorm


Bijvoorbeeld:

- Ik fiets naar school

- Fiets ik naar school?

Slide 6 - Tekstslide

Wat is de persoonsvorm in:
Ik loop naar de bakker

Slide 7 - Open vraag

Wat is de persoonsvorm in:
Ik koop een zak met bruine broodjes

Slide 8 - Open vraag

Wat is de persoonsvorm in:
Ik was in het winkelcentrum

Slide 9 - Open vraag

Wat is de persoonsvorm in:
Ik heb een nieuwe broek gekocht

Slide 10 - Open vraag

De STAM van een werkwoord

De stam van een werkwoord vind je door van het hele werkwoord -en af te halen; wat je overhoudt, is de stam.




Bijvoorbeeld:

worden - en = word

leiden - en = leid

houden -en = houd


Slide 11 - Tekstslide

De STAM van een werkwoord

Soms ziet de stam van het werkwoord er gek uit




Kijk maar:

geloven - en = gelov

reizen - en = reiz

lopen - en = lop



Slide 12 - Tekstslide

De STAM van een werkwoord

Als je het woord moet schrijven, pas je de stam aan

naar de ik-vorm




Kijk maar:

geloven - en = gelov - de ik-vorm = geloof

reizen - en = reiz - de ik-vorm = reis

lopen - en = lop - de ik-vorm = loop


Slide 13 - Tekstslide

Wat is de stam / ik-vorm van
zingen

Slide 14 - Open vraag

Wat is de stam / ik-vorm van
eten

Slide 15 - Open vraag

Wat is de stam / ik-vorm van
geven

Slide 16 - Open vraag

Wat is de stam / ik-vorm van
vinden

Slide 17 - Open vraag

De persoonsvorm spellen in de

tegenwoordige tijd


Als de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd staat,

zijn er maar drie mogelijkheden

Slide 18 - Tekstslide

1. STAM

Enkelvoud ik-vorm of jij erachter:

schrijf alleen de stam


ik loop

ik fiets

ik praat

ik vind

loop jij

fiets jij

praat jij

vind jij

Slide 19 - Tekstslide

2. STAM + T

Enkelvoud andere vormen:

schrijf de stam + t


jij loopt

hij fietst

zij praat

Fred vindt

Slide 20 - Tekstslide

3. HELE WERKWOORD

Meervoud:

schrijf het hele werkwoord


wij lopen

zij fietsten

jullie praten

Fred en Laurien vinden

Slide 21 - Tekstslide

Leuk filmpje!

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Video

Welke regel pas je toe bij:
de ik-vorm
A
STAM
B
STAM + T
C
HELE WERKWOORD

Slide 24 - Quizvraag

Welke regel pas je toe bij:
jij achter het werkwoord
A
STAM
B
STAM + T
C
HELE WERKWOORD

Slide 25 - Quizvraag

Welke regel pas je toe bij:
de het-vorm
A
STAM
B
STAM + T
C
HELE WERKWOORD

Slide 26 - Quizvraag

Welke regel pas je toe bij:
jullie
A
STAM
B
STAM + T
C
HELE WERKWOORD

Slide 27 - Quizvraag

Schrijf de juiste vorm op:
Vera (lopen) naar huis

Slide 28 - Open vraag

Schrijf de juiste vorm op:
Tom en Jerry (rennen) door de tuin

Slide 29 - Open vraag

Schrijf de juiste vorm op:
(Geven) jij de ketchup aan mij

Slide 30 - Open vraag

Schrijf de juiste vorm op:
Mijn oma (braden) een stukje vlees

Slide 31 - Open vraag

Schrijf de juiste vorm op:
Jij (kletsen) heel graag met mij

Slide 32 - Open vraag

Schrijf de juiste vorm op:
Kees (branden) zijn vingers aan de pan

Slide 33 - Open vraag

Maak nu zelfstandig de opdrachten van het werkblad.
timer
5:00

Slide 34 - Tekstslide

laat NAKIJKEN door de docent

Slide 35 - Tekstslide

GELEERD

SPELLING VAN DE PERSOONSVORM IN

DE TEGENWOORDIGE TIJD

- je weet hoe je de persoonsvorm vindt

-  je kent de stam van een werkwoord

- je kunt de persoonsvorm in de tt goed spellen

Slide 36 - Tekstslide

Wat wist je al?

Slide 37 - Open vraag

Is er iets wat je nog niet zo goed snapt?
Zo ja, schrijf dit op.

Slide 38 - Open vraag

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 39 - Tekstslide