AT 3 scheikunde 3.4

Vandaag
- vragen over stof vorige lessen

- leerdoelen

- 3.3

- huiswerk
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 14 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Vandaag
- vragen over stof vorige lessen

- leerdoelen

- 3.3

- huiswerk

Slide 1 - Tekstslide

Vragen
  • Wat is een chemische reactie?
  • Een gebeurtenis waarbij stoffen verdwijnen en nieuwe stoffen ontstaan
  • Hoe noemen we de stoffen die verdwijnen?
  • Beginstoffen
  • Het niet veranderen van stofeigenschappen is een kenmerk van ...?
  • Een faseovergang
  • Met welke letter geven we aan dat het om een vaste stof gaat? 
  • S

Slide 2 - Tekstslide

Vragen
  • Hout reageert met zuurstof tot koolstofdioxide, koolstofmonoxide en waterdamp, schrijf hiervan het reactieschema op 
  • Hout (s) + zuurstof (g) --> koolstofdioxide (g) + koolstofmonoxide (g) + water (g)
  • Wat is een kenmerk van een ontledingsreactie?
  • Er is maar 1 beginstof en 2 of meer reactieproducten
  • Wat zijn de drie vormen van ontleding?
  • thermolyse (temperatuur), fotolyse (licht) & elektrolyse (elektrische stroom)

Slide 3 - Tekstslide

Vragen
  • Hoe tonen we glucose aan?
  • Met een teststrookje
  • Hoe tonen we kalk aan?
  • Met zoutzuur
  • Wat hebben we nodig voor het maken van een product?
  • Een voorschrift 

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoelen 3.3
  • Je kan de stappen uit bron 1 (voorschrift) benoemen

  • Je kan uitleggen wat de wet van behoud van massa is

  • Je kan berekenen hoeveel stof je nodig hebt

  • Je kan overmaat berekenen 

Slide 5 - Tekstslide

3.3 Een productie voorbereiden
Volgens de wet van massabehoud is de massa van de beginstoffen gelijk aan de massa van de reactieproducten in een chemische reactie

De massa van gassen tellen ook mee!

Deze wet is opgesteld in 1770 door Antoine Lavoisier

Met deze wet kan je uitrekenen hoeveel je van een bepaalde stof nodig hebt

Slide 6 - Tekstslide

3.3 Een productie voorbereiden
Dus bij een reactieschema wegen de beginstoffen evenveel als de reactieproducten, gassen hebben dus ook een gewicht!

Als we weten wat de massaverhouding is, weten we hoeveel gram we van elke stof nodig hebben

Voorbeeld:
Als waterstofchloride en ammoniak de volgende massaverhouding hebben: 15 : 7
reageert er 15 gram waterstofchloride met 7 gram ammoniak
Het eindproduct is salmiak en zal dus 15 + 7 = 22 gram moeten wegen
Want het reactieproduct moet evenveel wegen als de beginstoffen

Slide 7 - Tekstslide

3.3 Een productie voorbereiden
Je moet ook uit kunnen rekenen hoeveel je van een stof nodig hebt
Je weet dat de verhouding waterstofchloride : ammoniak = 15 : 7
Stel we hebben 35 gram waterstofchloride
Dan maak je een verhoudingstabel --------->

15: 15 = 1
7 : 15 = 0,47  ----------------------------------->

1 x 35 = 35
0,47 x 35 = 16,3 -------------------------------->
35 gram waterstofchloride reageert dus met 16,3 gram ammoniak
waterstofchloride
15
1
35
ammoniak
7
?
?
waterstofchloride
15
1
35
ammoniak
7
0,47
?
waterstofchloride
15
1
35
ammoniak
7
0,47
16,3

Slide 8 - Tekstslide

3.3 Een productie voorbereiden
Reken uit hoeveel gram ammoniak reageert met 87 gram waterstofchloride de verhouding is nog steeds waterstofchloride : ammoniak = 15 : 7

1) gegeven
2) gevraagd
3) verhoudingstabel


4) berekening
5) antwoord
waterstofchloride
15
1
87
ammoniak
7
?
?

Slide 9 - Tekstslide

3.3 Een productie voorbereiden
Reken uit hoeveel gram ammoniak reageert met 87 gram waterstofchloride de verhouding is nog steeds waterstofchloride : ammoniak = 15 : 7

1) massaverhouding waterstofchloride : ammoniak = 15 : 7 & 87 gram waterstofchloride
2) hoeveel gram ammoniak reageert
3) verhoudingstabel


4) 7: 15 = 0,47 & 0,47 x 87 = 40,6

5) 87 gram waterstofchloride reageert met 40,6 gram ammoniak

waterstofchloride
15
1
87
ammoniak
7
?
?
waterstofchloride
15
1
87
ammoniak
7
0,47
40,6

Slide 10 - Tekstslide

3.3 Een productie voorbereiden
Het kan ook zijn dat je van een van de beginstoffen te veel hebt, deze stof is dan in overmaat aanwezig

Je rekent eerst uit hoeveel van de ene stof met de andere reageert, dus wat jullie net hebben gedaan

dan kijk je in de vraag hoeveel je van de stof in overmaat had, wat reageert haal je af van dit aantal gram, dan weet je hoeveel gram de stof in overmaat is

Slide 11 - Tekstslide

3.3 Een productie voorbereiden
Je laat 36 gram ammoniak reageren met 46 gram waterstofchloride
Bereken hoeveel van welke stof in overmaat is, verhouding waterstofchloride : ammoniak = 15 : 7




7 : 15 = 0,47 & 0,47 x 46 = 21, 5

36 - 21,5 = 14, 5 gram, ammoniak is dus 14,5 gram in overmaat
waterstofchloride
15
1
46
ammoniak
7
?
?

Slide 12 - Tekstslide

3.3 Een productie voorbereiden
Je laat 36 gram ammoniak reageren met 46 gram waterstofchloride
Bereken hoeveel van welke stof in overmaat is, verhouding waterstofchloride : ammoniak = 15 : 7




15 : 7 = 2,1 & 2,1 x 36 = 77,1

We zouden dus te weinig waterstofchloride hebben om met zoveel ammoniak te reageren, dus ammoniak is de stof die in overmaat is
waterstofchloride
15
?
?
ammoniak
7
1
36

Slide 13 - Tekstslide

Huiswerk
3.3 opgaven 2, 4, 5, 8, 10, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20 & 21

klaar? 
Dan ga je alvast verder met 3.4

  • Je kan uitleggen wat de wet van massabehoud is
  • Je kan met de wet van massabehoud de massa van de beginstoffen en reactieproducten uitrekenen
  • Je kan het aantal gram dat je van een stof nodig hebt uitrekenen en je kan de overmaat uitrekenen

Slide 14 - Tekstslide