Periode 2 werkwoordspelling tegenwoordige en verledentijd + voltooid deelwoord

Periode 2 werkwoordspelling


Waar komt dit water vandaan?   3.1 soorten water
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NaskMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Periode 2 werkwoordspelling


Waar komt dit water vandaan?   3.1 soorten water

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we deze les doen?
Persoonsvorm tt en vt en voltooid deelwoord

Leerdoelen van deze les;

Introductie, instructie en controle vragen over de les;
Aan de slag!



Slide 2 - Tekstslide

Noem de 9 werkwoorden waardoor er geen lijdend voorwerp in een zin kan zitten.

Slide 3 - Open vraag

leerdoelen:
Deze les leer je:
Leerdoelen:
Je kunt de persoonsvorm herkennen, ook in samengestelde zinnen.
Je kunt de regels voor de persoonsvorm tegenwoordige tijd toepassen op level 2.
Je kunt voor jezelf een spiekbriefje maken met de (voor jou) belangrijkste regels.

Daarmee:
ben je een stapje verder in het correct spellen van werkwoorden
krijg je meer zelfvertrouwen als je schrijft.


Slide 4 - Tekstslide

Is werkwoordspelling moeilijk?
Ja en nee.

Ja, omdat er regeltjes zijn.
Nee, omdat er regeltjes zijn.

Als je de regels kent en op de goede manier kunt toepassen, is werkwoordspelling niet moeilijk.
Werkwoordspelling gaat nóóit goed als je gokt, of als je denkt: "Maar dit staat gewoon beter."
Spelling, ook werkwoordspelling, kun je leren. Als je maar wilt.



Slide 5 - Tekstslide

Het belangrijkste van werkwoordspelling

Slide 6 - Tekstslide

Wat is de persoonsvorm ook alweer?

De persoonsvorm is een werkwoordsvorm.
De persoonsvorm hoort bij de 'hoofdpersoon' (het onderwerp) uit de zin.
Als je de hoofdpersoon (het onderwerp) aanpast, verandert de persoonsvorm ook:
Ik loop op straat. → De kat loopt op straat. → Wij lopen op straat.
Ik heb een kat. → Hij heeft een kat. → Veel mensen hebben een kat.
Ik lach. → De man lacht. → We lachen.
De persoonsvorm vertelt iets over de persoon: is het de eerste persoon (ik), de tweede persoon (jij), de derde persoon (hij/zij/die/het), of is het meervoud?
Vandaar de naam persoonsvorm.
Andere werkwoordsvormen zijn: het deelwoord en het hele werkwoord (infinitief).



Slide 7 - Tekstslide

Opdracht 1 (Blink)
Aan de slag met opdracht 1
Je markeert in twee minuten zo veel mogelijk persoonsvormen in een tekst.
De persoonsvorm herkennen
Hoe snel herken jij de persoonsvorm?
Stel een timer in op 2 minuten.
Maak in stilte zoveel mogelijk persoonsvormen in de tekst hieronder vet. Dubbelklik hiervoor op het woord, en klik op de hoofdletter B boven in de schrijftool (of gebruik de toetscombinatie Ctrl-B).
Stop precies na 2 minuten, ook als je nog niet klaar bent. Geen stress, het is voor jezelf, niet voor een cijfer.

Slide 8 - Tekstslide

Er staan 43 persoonsvormen in de tekst, dus het maximum is 43 punten.
Meer dan 35 punten
Jij bent er helemaal klaar voor! Maar heb jij eigenlijk wel moeite met werkwoordspelling? 
25 tot 35 punten
Je hebt een paar 'lastige gevallen' gemist, maar je herkent de persoonsvorm goed genoeg om met deze lessenserie verder te kunnen.
Minder dan 25 punten
Je vindt het lastig om de persoonsvorm te herkennen, dus je moet hier de komende tijd mee gaan oefenen. Overleg met je docent hoe je dit gaat aanpakken.


Slide 9 - Tekstslide

Spelling van de persoonsvorm tegenwoordige tijd (pv tt)

Slide 10 - Tekstslide

Je... (worden, tt) toch helemaal gek van al dat huiswerk?

Slide 11 - Open vraag

.......(Mogen, tt) jij wel zo laat opblijven?

Slide 12 - Open vraag

Een eend .... (broeden, tt) een ei uit.

Slide 13 - Open vraag

Aan de slag met opdracht 2
Je vult in een tekst de persoonsvormen tegenwoordige tijd in.
Opdracht 2: Oefenen met de pv tt
Oefen zelfstandig op je device.
Let op: schrijf de tegenwoordige tijd. Kijk goed of je enkelvoud of meervoud moet schrijven. Soms moet je daarvoor naar de voorgaande zin(nen) kijken.

Slide 14 - Tekstslide

Aan de slag met opdracht 3 HUISWERK
Je maakt een spiekbriefje voor de persoonsvorm tegenwoordige tijd.






Dit spiekbriefje maak je in je aantekeningen schrift!

Slide 15 - Tekstslide

leerdoelen:
Leerdoelen
Je kunt de regels voor de persoonsvorm verleden tijd toepassen op level 2.
Je kunt voor jezelf een spiekbriefje maken met de (voor jou) belangrijkste regels.
Daarmee:
ben je een stapje verder in het correct spellen van werkwoorden
krijg je meer zelfvertrouwen als je schrijft.

Slide 16 - Tekstslide

De persoonsvorm verleden tijd (pv vt)

Slide 17 - Tekstslide

De persoonsvorm verleden tijd (pv vt)

Slide 18 - Tekstslide

Trucje: 't kofschip
Trucje: 't kofschip

Als jij niet goed kunt horen of je -te(n) of -de(n) schrijft, gebruik dan het trucje van 't kofschip.

Stam van het werkwoord op t, k, f, s (of x), ch of p → schrijf ik-vorm + te(n)

Stam van het werkwoord op andere letters → schrijf ik-vorm + de(n).

Slide 19 - Tekstslide

Voorbeelden:

leven → v niet in 't kofschip → ik-vorm + de(n): Anna leefde
niezen → z niet in 't kofschip → ik-vorm + de(n): Anna niesde
leggen → g niet in 't kofschip → ik-vorm + de(n): Anna legde
tobben → b niet in 't kofschip → ik-vorm + de(n): Anna tobde
puffen → f wel in 't kofschip → ik-vorm + te(n): Mo pufte
dansen → s wel in 't kofschip → ik-vorm + te(n): Mo danste
lachen → ch wel in 't kofschip → ik-vorm + te(n): Mo lachte
slurpen → p wel in 't kofschip → ik-vorm + te(n): Mo slurpte
Kijk bij dit trucje naar de stam van het werkwoord en NIET naar de ik-vorm!

Slide 20 - Tekstslide

Zwakke werkwoorden met stam op -d of -t

Slide 21 - Tekstslide

Jan .... (afsnijden, vt) een lekker stukje verse worst af.

Slide 22 - Open vraag

Omdat Henk ziek was, ... (mislopen, vt) hij de heerlijke traktatie mis.

Slide 23 - Open vraag

De werknemers .... (standaardiseren, vt) het proces.

Slide 24 - Open vraag

Mario ... (joggen, vt) gisteren door het park.

Slide 25 - Open vraag

Appie ... (consulteren, vt) zijn arts. De arts wist het ook niet.

Slide 26 - Open vraag

Een man uit de staat Indiana ...(besmetten, vt) een man uit Illinois met deze vreselijke ziekte.

Slide 27 - Open vraag

Aan de slag met opdracht 1
Je oefent met de persoonsvorm verleden tijd en past alle regels toe.
Opdracht 1: Oefenen met de pv vt
Oefen zelfstandig op je device.
Let op: schrijf de verleden tijd. Kijk goed of je enkelvoud of meervoud moet schrijven. Soms moet je daarvoor naar de voorgaande zin(nen) kijken.
Let ook op de sterke en zwakke werkwoorden in de verledentijd

Slide 28 - Tekstslide

Aan de slag met opdracht 2
Je vult je spiekbriefje aan met de persoonsvorm verleden tijd. HUISWERK



Opdracht 2: Spiekbriefje pv vt level 2
Je hebt in les 1 een spiekbriefje gemaakt voor de tegenwoordige tijd. Vul je spiekbriefje aan voor de verleden tijd. Let op: houd ruimte voor het deelwoord. Alles moet op één kantje van een A4 passen.
Je mag schrijven, typen of tekenen. Het is jouw eigen hulpmiddel!

Slide 29 - Tekstslide

leerdoelen:
Leerdoelen
Je kunt de regels voor het voltooid deelwoord toepassen op level 2.
Je kunt voor jezelf een spiekbriefje maken met de (voor jou) belangrijkste regels.
Daarmee:
ben je een stapje verder in het correct spellen van werkwoorden
krijg je meer zelfvertrouwen als je schrijft
ben je klaar voor het volgende level.

Slide 30 - Tekstslide

leerdoelen:
Leerdoelen
Je kunt de regels voor het voltooid deelwoord toepassen op level 2.

Je kunt voor jezelf een spiekbriefje maken met de (voor jou) belangrijkste regels.

Daarmee:
ben je een stapje verder in het correct spellen van werkwoorden
krijg je meer zelfvertrouwen als je schrijft
ben je klaar voor het volgende level.

Slide 31 - Tekstslide

Les 3: Het voltooid deelwoord

Slide 32 - Tekstslide

Zwakke werkwoorden met stam op -v of -z

Slide 33 - Tekstslide

Zwakke werkwoorden met stam op -v of -z

Slide 34 - Tekstslide

Aan de slag met opdracht 1
Je oefent met de spelling van het voltooid deelwoord.
Opdracht 1: Oefenen met het voltooid deelwoord
Oefen zelfstandig op je device.

Slide 35 - Tekstslide

Het voltooid deelwoord, bijvoeglijk gebruikt

Slide 36 - Tekstslide

Aan de slag met opdracht 2
Je oefent met het bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord.
Opdracht 2: Het voltooid deelwoord, bijvoeglijk gebruikt
Oefen klassikaal, of zelfstandig op je device.

Slide 37 - Tekstslide

Aan de slag met opdracht 3 HUISWERK
Je vult je spiekbriefje aan met het voltooid deelwoord.
Opdracht 3: Spiekbriefje over het voltooid deelwoord, level 2

Slide 38 - Tekstslide

Aan het werk!
Wat? Huiswerk
les 1 opdracht 3 + les 2 opdracht 2 + les 3 opdracht 2
Je maakt een spiekbriefje voor de persoonsvorm tegenwoordige- en verleden tijd en voltooid deelwoord.
Waar? Plot 26 Blink te vinden, maar je maakt je spiekbrief in je schrift!
Hoe? Als het bord op rood staat werk je alleen en in stilte.
Als het bord op groen staat mag je fluisterend overleggen met je buurman. 
Heb je vragen? Steek je hand op en ik kom bij je. 
Klaar? Kijk het dan na!

timer
1:00

Slide 39 - Tekstslide

Gelukkig is ze zo gewoon ...... (blijven) .

Slide 40 - Open vraag

Tijdens het eindexamen is de docent Nederlands over een stoelpoot ..... (struikelen) !

Slide 41 - Open vraag

De zwemmer werd gered. —> de .....zwemmer

Slide 42 - Open vraag


Schrijf drie dingen op die je deze les hebt geleerd.
Dit is een open vraag.

Slide 43 - Open vraag


Stel een vraag over iets wat je 
nog niet zo goed hebt begrepen.
Dit is een open vraag.

Slide 44 - Open vraag