samenvatting h4 tl

FEIT

- Uitspraak over iets wat waar of niet waar is

- Een feit kan je controleren



Voorbeeld van een feit:

De helft van de veertienjarigen in Nederland krijgt €50,00 kleedgeld per maand.

Je kunt controleren of dit waar is door in de krant te kijken of het op internet op te zoeken.

1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

FEIT

- Uitspraak over iets wat waar of niet waar is

- Een feit kan je controleren



Voorbeeld van een feit:

De helft van de veertienjarigen in Nederland krijgt €50,00 kleedgeld per maand.

Je kunt controleren of dit waar is door in de krant te kijken of het op internet op te zoeken.

Slide 1 - Tekstslide

MENING (STANDPUNT)

- Wat iemand ergens van vindt

Het is niet controleerbaar

-Je kunt het eens of oneens zijn

Voorbeeld van een mening:

Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen.

Slide 2 - Tekstslide

ARGUMENT

- Een argument is een uitleg waarmee je een mening verdedigt.

- Je herkent een agument aan signaalwoorden als:

want, namelijk, omdat



Voorbeeld van een argument:

Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen (mening), want dan leren zij met geld omgaan (argument).

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Samenvatting: Meewerkend voorwerp

  • Is meestal een persoon, soms een ding.
  • Je zoekt eerst pv/wwg - ow - lv en dan mw. vw.
  • Vraag: aan wie/wat + ow + wwg + lv
  • OF: voor wie/wat + ow + wwg + lv


Slide 5 - Tekstslide

Theorie verwijswoorden

Slide 6 - Tekstslide

Op de ... moet een verwijswoord. Naar welk woorden wordt verwezen?
Door de coronacrisis kunnen de leerlingen niet naar school, hoewel ... dat wel graag willen.

Slide 7 - Open vraag

Op de ... moet een verwijswoord. 1. Naar welk woorden wordt verwezen? 2. Is dit meervoud of enkelvoud?
De meisjes kunnen niet shoppen in de kledingwinkels, want ... mogen ze niet in.

Slide 8 - Open vraag

Vul het juiste verwijswoord in:

De jongen ... daar fietst, ken ik.
A
die
B
deze
C
dat
D
dit

Slide 9 - Quizvraag

Vul het juiste verwijswoord in:

Het meisje ... daar loopt, ken ik.
A
die
B
deze
C
dat
D
dit

Slide 10 - Quizvraag

Voorvoegsels
Sommige woorden bestaan uit een woord + een voorvoegsel. Voorvoegsels staan voor het woord en hebben invloed op de betekenis. 
Voorvoegsels die veel voorkomen + de betekenis staan hieronder: 
  • non- = niet, zonder. Non-stop: zonder stoppen. 
  • on = niet. Onhandig: niet handig. 
  • mis = verkeerd, fout. Misschatting: verkeerde schatting. 
  • her = weer, opnieuw. Herexamen: opnieuw examen. 
  • ex- = niet meer, van vroeger. Ex-vriendin: vriendin van vroeger

Slide 11 - Tekstslide

Dus, hergebruiken betekent dan:
A
Verkeerd gebruiken
B
Niet gebruiken
C
Opnieuw gebruiken
D
Niet meer gebruiken

Slide 12 - Quizvraag

Achtervoegsels
Voorvoegsels zijn woorden voor een woord. 
Achtervoegsels zijn woorden voor achter een woord.

Achtervoegsels die veel voorkomen, zijn: 
-lijk, -heid, -teit, -baar, -atie, -aard, -aar, -isch, -ing

Soms geven achtervoegsels woorden een andere betekenis:
-loos: waardeloos = zonder waarde
-vol: smaakvol = met veel smaak

Slide 13 - Tekstslide

Betekenis van een woord
Je kunt de betekenis van een woord met een achtervoegsel vaak zelf achterhalen.

Bijvoorbeeld: Mijn neef is een beoefenaar van taekwondo. 
In beoefenaar herken je het woord beoefen en het achtervoegsel -aar. Een beoefenaar van taekwondo is dus iemand die taekwondo beoefent.

Slide 14 - Tekstslide