Woordenschat H.3 Mavo2

Wat moeten jullie straks kennen en kunnen?


Oftewel, wat is het doel van deze les?


Na deze les weet je de betekenis van veelvoorkomende achtervoegsels en kun een woordraadstrategie gebruiken om de betekenis van een onbekend woord te vinden.


1 / 10
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 10 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Wat moeten jullie straks kennen en kunnen?


Oftewel, wat is het doel van deze les?


Na deze les weet je de betekenis van veelvoorkomende achtervoegsels en kun een woordraadstrategie gebruiken om de betekenis van een onbekend woord te vinden.


Slide 1 - Tekstslide

Wat weten we nog van voorvoegsels?



Voorvoegsels?

Een voorvoegsel kan je helpen de

betekenis van het woord te vinden.



                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                            



















































































































Bijvoorbeeld: Faisel kan heel hard schaatsen → Hij kan heel hard schaatsen.

Marije geeft het boek aan Maud → Zij geeft het boek aan haar.

Slide 2 - Tekstslide

Voorvoegsels die veel voorkomen zijn:







 


   


anti =
tegen
her=
weer, opnieuw
non=
niet, zonder
ex
niet meer
on=
niet
mini=
heel klein
mis=
verkeerd, fout
inter=
tussen 2 of meer gebieden
wan=
 slecht, verkeerd

Slide 3 - Tekstslide


Sommige woorden eindigen met een achtervoegsel. Je kunt de betekenis van een woord met een achtervoegsel vaak


 zelf raden.


Bijvoorbeeld: Mijn neef is een beoefenaar van taekwondo. In beoefenaar herken je


het woord beoefen en het achtervoegsel -aar. Een beoefenaar van taekwondo is  iemand die taekwondo beoefent.





Slide 4 - Tekstslide

Achtervoegsels die veel voorkomen:


-aar, -lijk, -heid, -teit, -baar, -atie, -aard, -isch, -ing, -ig, -sel, -loos, -vol, -lijks.



Door het achtervoegsel verandert de betekenis van het woord. Kijk dus altijd goed in de zin wat er precies bedoeld wordt.



filmpje vanaf 0.50






Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Even checken. Wie vertelt mij nog even wat we zojuist hebben gehoord?


Geen vingers, ik geef de beurt aan ..............................................

Slide 7 - Tekstslide

Nu zelfstandig aan de slag

Wat nu?

 Voordat je aan de opdrachten begint, lees je eerst zelfstandig de theorie op blz.81

Maken opdr. 1 t/m 6

blz. 111-112


WERK NIET TE GEHAAST









Slide 8 - Tekstslide

Aan de slag

Slide 9 - Tekstslide

Opdracht: in 2 tallen=
 Bespreek met je klasgenoot wat er tijdens deze les is geleerd? Wat moet je onthouden? Hoe vertel je dit aan een leerling van een andere klas?

Opdracht: in 2 tallen=
 Bespreek met je klasgenoot wat er tijdens deze les is geleerd

Wat moet je onthouden, is belangrijk?
 
Hoe vertel je dit aan een leerling van een andere klas?

Wat was het doel van de les en is het doel bereikt?



Slide 10 - Tekstslide