ERFELIJKHEID · KRUISINGEN
Examentraining
Erfelijkheid en kruisingen: zo pak je examenvragen aan
ERFELIJKHEID · KRUISINGEN
Examentraining
Erfelijkheid en kruisingen: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Jamain / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
ERFELIJKHEID · KRUISINGEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan in een situatie de kans op een genotype of fenotype bepalen met een kruisingsschema of stamboom en afwijkende overerving herkennen.
Deze slide heeft geen instructies
ERFELIJKHEID · KRUISINGEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: welke genen, welke allelen zijn dominant en wat is gegeven?
2. Teken: de genotypen van de ouders, de geslachtscellen en het schema of de stamboom.
3. Reken: vermenigvuldig kansen van onafhankelijke uitkomsten en tel uitkomsten die elkaar uitsluiten op.
4. Controleer: komt het totaal op 1 en beantwoord je precies wat gevraagd wordt: genotype, fenotype of een kind van een bepaald geslacht?
Deze slide heeft geen instructies
ERFELIJKHEID · KRUISINGEN
Vraagtype 1: kansen berekenen
Bepaal eerst de genotypen van de ouders en de geslachtscellen.
Reken per gen en vermenigvuldig de kansen van onafhankelijke genen.
Let op wat er gevraagd wordt: genotype of fenotype.
Deze slide heeft geen instructies
Een kweker kruist twee planten AaBb. Kans op een nakomeling AaBb?
1/16
1/8
1/4
9/16
Per gen is de kans op Aa 1/2 en op Bb 1/2, samen 1/2 x 1/2 = 1/4 (4 van de 16 vakjes). Verwachte fout: 1/16 kiezen (de kans op aabb) of 9/16 (de kans op het fenotype A_B_).
Kans op A_B_ bij AaBb x Aabb, als breuk?
Per gen: kans op A_ is 3/4, kans op B_ bij Bb x bb is 1/2. Samen 3/4 x 1/2 = 3/8. Verwachte fout: 9/16 gebruiken, dat hoort bij AaBb x AaBb.
ERFELIJKHEID · KRUISINGEN
Vraagtype 2: stambomen en kansen
Bepaal eerst: dominant of recessief, autosomaal of X-chromosomaal.
Schrijf de genotypen bij de personen en bepaal de kans met een kruisingsschema.
Deze slide heeft geen instructies
Autosomaal recessief, II-3 is Aa. Wat is de kans dat III-1 aa is?
1/4
1/3
1/6
1/8
I-1 en I-2 zijn Aa, want ze krijgen een aangedaan kind. II-2 is gezond, dus Aa met kans 2/3. Dan kans op aa bij het kind: 2/3 x 1/4 = 1/6. Verwachte fout: 1/4 kiezen door de kans 2/3 te vergeten, of 1/3 door 2/3 x 1/2 te rekenen. Image credit: Eigen schema, LessonUp
X-chromosomaal recessief. Kans dat III-1 een aangedane zoon is?
1/8
1/4
1/2
1/16
II-1 is aangedaan en I-1 gezond, dus I-2 is draagster. II-2 is draagster met kans 1/2. Een draagster x gezonde man geeft kans 1/2 op een zoon en 1/2 op Xh bij die zoon: 1/2 x 1/2 x 1/2 = 1/8. Verwachte fout: 1/4 kiezen als II-2 zeker draagster zou zijn. Image credit: Eigen schema, LessonUp
ERFELIJKHEID · KRUISINGEN
Vraagtype 3: afwijkende uitkomsten
Past de uitkomst niet bij 9 : 3 : 3 : 1, denk dan aan gekoppelde genen.
Ontbreekt een genotype bij de nakomelingen, denk dan aan een letale factor.
Deze slide heeft geen instructies
Wat blijkt uit de aantallen bij de kruising AaBb x aabb?
De genen liggen op verschillende chromosomen
Het verschil in aantallen is puur toeval
Aabb en aaBb sterven voor de geboorte
A en B liggen op één chromosoom, met weinig crossing-over
Bij onafhankelijke genen verwacht je vier genotypen elk ongeveer 25. Hier zijn AaBb en aabb veel talrijker: de genen zijn gekoppeld, en Aabb en aaBb ontstaan door crossing-over. Ze komen voor, dus ze sterven niet. Verwachte fout: kiezen voor verschillende chromosomen. Aabb en aaBb komen voor, dus ze sterven niet voor de geboorte. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Bij Ss x Ss sterft SS voor de geboorte. Hoeveel van 90 levende jongen is Ss?
45
60
68
30
Levend zijn Ss (2 delen) en ss (1 deel): Ss is 2/3 van 90 = 60. Verwachte fout: 68 kiezen (3/4 van 90) of 45 (de helft).
ERFELIJKHEID · KRUISINGEN
Vraagtype 4: mitochondriaal en argumenteren
Bij een stamboom: past het patroon bij een gen in de kern of bij mitochondriaal DNA?
Bij argumenteren: noem het standpunt, het argument en leg uit waarom het geldt.
Deze slide heeft geen instructies
Welke overerving past het best bij deze stamboom?
Mitochondriaal DNA
Autosomaal dominant
X-chromosomaal recessief
Autosomaal recessief
Alle kinderen van de aangedane vrouwen (I-1, II-3) zijn aangedaan, geen kind van een aangedane man (II-1). Dat past bij overerving via de eicel. Autosomaal dominant is hoogst onwaarschijnlijk: de kinderen van II-1 zijn alle drie gezond en die van II-3 alle drie aangedaan. X-chromosomaal recessief is uitgesloten: de dochter III-4 is aangedaan terwijl de vader II-4 gezond is. Autosomaal recessief past niet: de aangedane ouder I-1 krijgt met een gezonde partner alleen aangedane kinderen, wat zeer onwaarschijnlijk is. Verwachte fout: autosomaal dominant kiezen. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Welke uitspraak is een ethisch argument tegen embryoselectie?
Door selectie neemt de genetische variatie in de populatie af
Embryoselectie voorkomt dat een kind ernstig ziek wordt
Het is niet aan mensen om te kiezen welk leven doorgaat
Het gen voor de ziekte wordt zo minder vaak doorgegeven
Een ethisch argument gaat over goed en fout. De tweede uitspraak is een biologisch argument, de derde is een ethisch argument vóór, de vierde een biologisch argument vóór. Verwachte fout: het biologische argument tegen kiezen.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Kansen berekenen
Stambomen en kansen
Afwijkende uitkomsten
Mitochondriaal en argumenteren
Deze slide heeft geen instructies
ERFELIJKHEID · KRUISINGEN
Tips voor op het examen
Schrijf bij elke kruising eerst de genotypen van de ouders en de geslachtscellen op.
Bij twee genen op verschillende chromosomen: reken per gen en vermenigvuldig.
Bij een stamboom: gezonde ouders met een aangedaan kind betekent recessief, en beide ouders zijn dan drager.
Bij een letale factor: laat het vak met de sterfte weg en deel door het aantal overgebleven vakken.
Deze slide heeft geen instructies