wk 06: les 1+2

Dinsdag 9 februari - H2c (online les)
  • 10 minuten stillezen in Geest
  • Terugblik: spanning, setting
  • Fictie: tijd
  • Aan de slag!

  • Bespreken Geest t/m blz. 199
  • Aan de slag!



timer
10:00
1 / 53
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 53 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 5 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Dinsdag 9 februari - H2c (online les)
  • 10 minuten stillezen in Geest
  • Terugblik: spanning, setting
  • Fictie: tijd
  • Aan de slag!

  • Bespreken Geest t/m blz. 199
  • Aan de slag!



timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

Vorige les heb je geleerd...
...op welke manieren een schrijver spanning kan oproepen.
...welke rol de setting kan hebben in een verhaal.

Slide 2 - Tekstslide

Deze les ga je...
...leren welke rol tijd kan spelen in een verhaal.
...in een groepje Geest bespreken.

Slide 3 - Tekstslide

Begrippen jaar 1

fictie / non-fictie
realistisch / niet realistisch
genres
personages
hoofdpersonen / bijfiguren: helper/tegenstander
medespelers/ figuranten
vertelperspectief
leeservaring
beoordelingswoorden
mening/ argumenten

Begrippen jaar 2

spanning
setting

tijd: vertelde tijd, chronologisch/niet-chronologisch, terugverwijzing, vooruitverwijzing, flashback

open einde /gesloten eind

Slide 4 - Tekstslide

Terugblik: spanning

Slide 5 - Tekstslide

Terugblik: setting

Slide 6 - Tekstslide

Tijd
We gaan een fragment bekijken.

Wat kun je vertellen over tijd?

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Tijd

Slide 9 - Tekstslide

TIJD: wat gaat hier fout?

Slide 10 - Tekstslide

“Chronologie”: op volgorde van tijd
Denk aan het Griekse “Chronos” (tijd). Chronologisch (op volgorde) versus  
niet-chronologisch (niet op volgorde).

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Vertelde tijd
Verteltijd
Chronologisch
Niet-chronologisch
Flashback
Flash forward
De tijd die in het verhaal verstrijkt.
Leestijd.
Op volgorde van tijd
"overmorgen-vandaag-morgen"
Terugblik
Vooruitblik

Slide 13 - Sleepvraag

Vertelvolgorde

Verhalen kunnen in chronologische volgorde worden verteld, maar schrijvers kunnen ook kiezen voor een afwisseling in tijd. Hierbij gebruiken ze flashbacks: je gaat als lezer letterlijk terug in de tijd (tijdlijn wordt onderbroken).


Dit noem je een niet-chronologische volgorde waarbij de tijdlijn WEL wordt onderbroken.


Gebeurtenissen: B - C - D - A - E - F


Slide 14 - Tekstslide

Vertelvolgorde

Wanneer een schrijver kiest voor een chronologische volgorde kan hij nog wel vooruitkijken of terugkijken in de tijd. Dit noem je:

- Terugwijzingen: een personage denkt terug aan vroeger

- Vooruitwijzingen: een personage of de schrijver blikt vooruit op de toekomst (kan voor spanning zorgen)


De tijdlijn wordt NIET onderbroken.


Gebeurtenissen: A - B - C - D - E

Slide 15 - Tekstslide

Verteltempo

Je kunt de tijd van een verhaal ook beschreven als je kijkt naar hoe snel de tijd verloopt. Hierbij kijk je naar de verteltijd (= aantal bladzijdes) en vertelde tijd (= tijdsverloop tussen het begin en einde van een verhaal).


Tijd kan sneller gaan door een versnelling of tijdsprong (vaak bij onbelangrijke gebeurtenissen).

Tijd kan langzamer gaan door een vertraging (vaak bij spannende gebeurtenissen.

Slide 16 - Tekstslide

Aan de slag!
Lees de theorie op de volgende slides.
Maak daarna de opdrachten
(slide 18 t/m 45)

Slide 17 - Tekstslide

Terugverwijzing

Een terugverwijzing in een boek wijst met een kort zinnetje terug naar iets wat in het verleden gebeurd is. Bijvoorbeeld:

'Hij dacht terug aan die ochtend waarin hij haar nog in zijn armen had gehouden.'


Een terugverwijzing is korter dan een flashback. Bij een flashback spring je voor een langere periode terug in de tijd.

Slide 18 - Tekstslide

Vooruitwijzing
Hierbij kijkt een personage vooruit in de tijd. Hij of zij denkt na over iets wat zou kunnen gebeuren.

Als zo'n vooruitwijzing een langere periode beschrijft, dan noemen we dat een flashforward. Sommige boeken beginnen met een flashforward en beginnen vervolgens bij het begin van het verhaal. Dit doet de schrijver om spanning op te roepen.

Slide 19 - Tekstslide

Als er veel flasbacks en flashforwards voorkomen in het boek, dan verloopt de tijd niet-chronologisch.

Slide 20 - Tekstslide

Tijdsprongen
Gebeurtenissen die onbelangrijk zijn voor het verhaal worden in een boek weggelaten. Soms eindigt een hoofdstuk op school en begint het volgende hoofdstuk op een andere plek. De tijd daartussen wordt niet beschreven. Dit noemen we een tijdsprong. Er zitten ALTIJD tijdsprongen in een boek.

Slide 21 - Tekstslide

Vertelde tijd / verteltijd

Vertelde tijd: De tijd die een schrijver beschrijft. Dit kan een dag, een week, een maand, een jaar of zelfs vele jaren zijn.


Verteltijd: Hoeveel bladzijdes heeft het boek. Het is eigenlijk de tijd die jij nodig hebt om het verhaal hardop voor te lezen.




Slide 22 - Tekstslide

Aan de slag!
Op de volgende slide staan vragen over tijd.

Opdracht
Bekijk de fragmenten en maak slide 24 t/m 34

Slide 23 - Tekstslide

0

Slide 24 - Video

Bij het fragment uit The Lion King is sprake van...
A
Vertraging
B
Tijdsprong
C
Terugverwijzing
D
Versnelling

Slide 25 - Quizvraag

0

Slide 26 - Video

Bij het fragment uit Ratatouille is sprake van...
A
Vertraging
B
Tijdsprong
C
Terugverwijzing
D
Flashback

Slide 27 - Quizvraag

0

Slide 28 - Video

Bij het fragment uit Sherlock Holmes is sprake van...
A
Vooruitwijzing
B
Tijdsprong
C
Terugverwijzing
D
Versnelling

Slide 29 - Quizvraag

0

Slide 30 - Video

1. In welke tijd speelt dit verhaal zich af?
2. Hoeveel tijd vergaat er, met andere woorden wat is de vertelde tijd?
3. Hoe zie je de verandering van tijd?

Slide 31 - Open vraag

Bekijk deze inhoudsopgave.

Slide 32 - Tekstslide

Wat weet je al over de tijdslijn van dit boek door naar de inhoudsopgave te kijken?

Slide 33 - Open vraag

Aan de slag!
Op de volgende slide staan vragen over Geest.

Opdracht
Maak slide 35 t/m 40

Slide 34 - Tekstslide

Lees blz. 144 t/m 167

A. Wat zegt Jochem tegen zijn nieuwe vrienden dat het ergste scheldwoord in het Nederlands is?

Slide 35 - Open vraag

Lees blz. 144 t/m 167

B. Jochems oude vrienden uit Amsterdam en zijn nieuwe uit Schotland spelen allemaal een spel.
1. Wat zijn de overeenkomsten van de spellen?

Slide 36 - Open vraag

Lees blz. 144 t/m 167

B. Jochems oude vrienden uit Amsterdam en zijn nieuwe uit Schotland spelen allemaal een spel.
2. En wat zijn de verschillen?

Slide 37 - Open vraag

Lees blz. 144 t/m 167
B. Jochems oude vrienden uit Amsterdam en zijn nieuwe uit Schotland spelen allemaal een spel.
3. Hoe ervaart Jochem het spel in Amsterdam en hoe in Schotland? (Wat is zijn gevoel hierbij?)

Slide 38 - Open vraag

Lees blz. 144 t/m 167
Theorie: vertelperspectief
C. Lees nog even blz. 156 door. Vanuit wie wordt het cursieve stuk verteld? En vanuit welk perspectief het standaardverhaal? Waarom heeft de schrijver dat gedaan denk je?

Slide 39 - Open vraag

Aan de slag!
De laatste vragen gaan over het behalen van de lesdoelen.

Opdracht
Beantwoord de vragen op slide 41 t/m 45

Slide 40 - Tekstslide

Ik weet wat het verschil is tussen vertelde tijd en verteltijd.
A
Ja
B
Nee

Slide 41 - Quizvraag

Ik weet wat het verschil is tussen een chronologisch en een niet-chronologisch verhaal
A
Ja
B
Nee

Slide 42 - Quizvraag

Ik weet wat het verschil is tussen een flashback en een terugverwijzing.
A
Ja
B
Nee

Slide 43 - Quizvraag

Ik weet wat het verschil is tussen een flashforward en een vooruitwijzing.
A
Ja
B
Nee

Slide 44 - Quizvraag

Tweede uur van het blokuur
Klaar met de opdrachten van het eerste lesuur?
Dan mag je verder gaan lezen in Geest.

Slide 45 - Tekstslide

In Break Out Rooms: bespreken van Geest,  t/m blz. 199
1. Wat is er tot nu toe gebeurd?
2. Waarom is Jochem de hoofdpersoon? Gebruik de theorie van fictie over personages.
3. Waarom is Kevin een bijfiguur? Gebruik de theorie van fictie over personages.
4. Is Kevin een helper of een tegenstander?
5. Waarom is de digitale wereld zo belangrijk voor Jochem?
6. Welke rol speelt Jodi in het verhaal?
7. Wat valt je op aan het vertelperspectief? (ik-vertelperspectief, alwetend, hij/zij, wisselend)
8. Op welke manier is de setting veranderd?
9. Op welke manier is Jochem veranderd? (lichamelijk en geestelijk)
10. Wat is er met Jochem aan de hand op blz. 124-125?

Slide 46 - Tekstslide

Aan de slag!
Maak de vragen over tijd, toegepast op Geest
slide 48 t/m 53

Slide 47 - Tekstslide

a. In welke tijd speelt Geest zich af?
b. Hoe kun je dat zien?

Slide 48 - Open vraag

Wat is de vertelde tijd in Geest?
(vertelde tijd = de tijd die in het verhaal voorbijgaat).

Slide 49 - Open vraag

Wat is de verteltijd van Geest?
(verteltijd = aantal bladzijdes)

Slide 50 - Open vraag

1. Wordt het verhaal in Geest chronologisch verteld?
2. Leg uit.

Slide 51 - Open vraag

Waar in Geest vind je een:
1. terugverwijzing
2. vooruitwijzing
3. flashback
Noteer de bladzijdenummer(s).

Slide 52 - Open vraag

Einde van deze les
Goed gedaan!

Je mag nu verder
lezen in Geest


                  
 
                   
 
                     
  
                  
 
Leesplanning Geest
Week 3   
Les 1+2    1-35
Les 3    36-70
Week 4
Les 1+2    71-110
Les 3    111-150
Week 5
Les 1+2    151-175
Les 3    175-199
Week 6 
Les 1+2    200-235
  Les 3    235-272
Week 7 
 E-toets Fictie Blok 1-5 + Geest   

Slide 53 - Tekstslide