Mv + bwb

Mv + bwb
Meewerkend voorwerp 
en 
bijwoordelijke bepaling
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 10 min

Onderdelen in deze les

Mv + bwb
Meewerkend voorwerp 
en 
bijwoordelijke bepaling

Slide 1 - Tekstslide

De persoonsvorm
  • (HERHALING)
  • Kenmerken persoonsvorm?
  • Hoe vind je de persoonsvorm?

Slide 2 - Tekstslide

Persoonsvorm

Slide 3 - Tekstslide

Onderwerp - ow
Hoe vind je het onderwerp van een zin?

wie / wat + pv

Slide 4 - Tekstslide

Benoem het ow van deze zin.
Wanneer gaat hij zwemmen?
A
wanneer
B
gaat
C
hij
D
gaat zwemmen

Slide 5 - Quizvraag

Werkwoordelijk gezegde - wg
Alle ww in een zin
let op:
vergeet de pv niet!
scheidbare ww ( denk .... na/stap.....in)
aan het / te (als het bij een ww hoort)

Slide 6 - Tekstslide

Benoem het wg van deze zin.
De dokter schreef haar medicijnen voor.
A
de dokter
B
schreef
C
schreef voor
D
medicijnen

Slide 7 - Quizvraag

Lijdend voorwerp - lv
wie / wat + wg + ow
Elsa heeft Jim een etui gegeven.
Jim geeft het aan Linda door.

Slide 8 - Tekstslide

Wat is het lv in deze zin?
Jermain had voor mij een cadeau meegenomen.
A
Jermain
B
had meegenomen
C
voor mij
D
een cadeau

Slide 9 - Quizvraag

Meewerkend voorwerp - mv
aan wie / voor wie + wg + ow + lv 
Zeynep heeft het boek aan Kim geleend.
Heeft Kim het boek  aan Asra gegeven?

Slide 10 - Tekstslide

Wat is het mv van deze zin?
De skates van dat merk kan ik jullie aanbevelen.
A
jullie
B
kan aanbevelen
C
de skates van dat merk
D
ik

Slide 11 - Quizvraag

Het meewerkend voorwerp is altijd een 'wie'.
A
ja
B
nee

Slide 12 - Quizvraag

Hoe vind je het meewerkend voorwerp?
A
aan/voor wie + pv + ow +lv?
B
aan/voor wie + ow + lv?
C
aan/voor wie + wg + ow +lv?
D
aan/voor wie + wg + lv?

Slide 13 - Quizvraag

Bijwoordelijke bepaling
geeft antwoord op vragen als:
waar? waarheen? wanneer? waarom? waardoor? waarvandaan? hoe? 
ook bijwoordelijke bepalingen:
niet, misschien, natuurlijk.

Slide 14 - Tekstslide

Wat is de bwb?
Gisteren heb ik Herman gezien.
Esther heeft Herman gisteren een klap gegeven.

Slide 15 - Tekstslide

Wat is de bijwoordelijke bepaling?

Gisteren hebben we de bijwoordelijke bepaling behandeld.
A
we
B
hebben behandeld
C
de bijwoordelijke bepaling
D
gisteren

Slide 16 - Quizvraag

Wat is de bijwoordelijke bepaling/wat zijn de bijwoordelijke bepalingen in deze zin?

Ik heb alles aan mijn vriendin verteld.
A
aan mijn vriendin
B
ik
C
alles
D
er is in deze zin geen bijwoordelijke bepaling

Slide 17 - Quizvraag

Wat is de bijwoordelijke bepaling?
Gisteren ging ik met mijn oma naar het bos.
A
gisteren
B
naar het bos
C
ging
D
ik

Slide 18 - Quizvraag

Wat is de bijwoordelijke bepaling in de zin?
Ik zal het nooit meer doen.
A
nooit meer
B
ik
C
zal
D
doen

Slide 19 - Quizvraag

Een bijwoordelijke bepaling..
A
zijn overgebleven zinsdelen
B
staan meestal niet in de zin
C
kun je vinden als je het gezegde hebt
D
valt niet onder zinsdelen

Slide 20 - Quizvraag