Trappen van vergelijking NT2

Trappen van vergelijking
1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2MBOStudiejaar 1

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Trappen van vergelijking

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Slide 3 - Video

klein - kleiner       aardig - aardiger
Je kunt woorden gebruiken om dingen of mensen met elkaar te vergelijken. Je kijkt dan of er verschillen zijn.
Meestal zet je -er achter het woord.

  • mooi - mooier
  • lang - langer
  • klein - kleiner

Slide 4 - Tekstslide

Let op!
Is de laatste letter een -r? Dan schrijft je -der achter het woord zoals bij:
  • Lekker - lekkerder en duur - duurder

Let ook goed op de lange en korte klank. Kort blijft kort en lang blijft lang.
  • Krom - krommer
  • Laag - lager


Slide 5 - Tekstslide

Sommige woorden zijn onregelmatig.
Bijvoorbeeld:

graag - liever
goed - beter
veel - meer
weinig - minder

Omar voetbalt graag buiten, maar Mike speelt liever binnen.

Slide 6 - Tekstslide

Groter dan - even groot 
Twee mensen of dingen met elkaar vergelijken en er is een verschil? Gebruik het woordje dan.  
Kijk naar de zinnen hieronder, wat is het verschil tussen zin 1 en 2?

  1. Omar is ouder dan Ahmed.
  2. Het zusje van Omar is klein, maar het zusje van Ahmed is kleiner.

Slide 7 - Tekstslide

Is er geen verschil in de vergelijking?
Je gebruikt het woord even.
  1. Eslam en Yakeen voetballen even goed.
  2. Mateusz en Natnael zijn even groot.
  3. Dagmara en Saba schrijven even netjes.

Slide 8 - Tekstslide

Het leukst
Weet je het nog?
  • Je kunt mensen en dingen vergelijken door de vergrotende trap: Kees is langer dan Jan.

  • Je kunt ook op een andere manier vergelijken: met de overtreffende  trap:
     Nederlanders zijn het langst.

Slide 9 - Tekstslide

groot - groter - grootst
  1. Jij bent groot.
  2. Ik ben groter.
  3. Hij is het grootst.
  4. Ik ben groter dan jij (bent).
  5. Jij bent even groot als ik (ben).


Slide 10 - Tekstslide

Deze regel geldt ook bij de onregelmatige woorden:

graag     -   liever        -     het liefst
goed      -   beter        -     het best
veel        -   meer        -     het meest
weinig   -   minder    -      het minst

Slide 11 - Tekstslide

Zet de trappen van vergelijking in de goede volgorde. 
1
2
3
de stellende trap (normale adjectief)
de vergrotende trap (comparatief)
de overtreffende trap (superlatief)

Slide 12 - Sleepvraag

Noteer de trappen van vergelijking van het woord 
 'traag'.
1
2
3
 traag
trager
traagst

Slide 13 - Sleepvraag

Trappen van vergelijking
Stellende trap
Vergrotende trap
Overtreffende trap
Groot
Groter
Grootst

Slide 14 - Sleepvraag

Ik vind blauw … dan groen.
A
mooi
B
mooier
C
mooist

Slide 15 - Quizvraag

Vind je de boodschappen ….?
A
duur
B
duurder
C
duurst

Slide 16 - Quizvraag

Hij vindt pizza … dan patat.

A
lekker
B
lekkerder
C
lekkerst

Slide 17 - Quizvraag

De jongste broer is het … van het hele gezin.

A
lan
B
langer
C
langst

Slide 18 - Quizvraag

Ik vind Nederlands … dan Engels.

A
moeilijk
B
moeilijker
C
moeilijkst

Slide 19 - Quizvraag

Februari is de … maand van het jaar.
korte.
kortere.
kortste
A
korte
B
kortere
C
kortste

Slide 20 - Quizvraag

Hij heeft … tijd dan zij.

A
veel
B
meer
C
meest

Slide 21 - Quizvraag

In welk café is de koffie het …?

A
lekker
B
lekkerder
C
lekkerst

Slide 22 - Quizvraag

Ik was ziek, maar nu voel ik me … dan gisteren.

A
goed
B
beter
C
best

Slide 23 - Quizvraag

Wat een … probleem!

A
moeilijk
B
moeilijker
C
moeilijkst

Slide 24 - Quizvraag

Spanje is … dan Nederland

A
warm
B
warmer
C
warmst

Slide 25 - Quizvraag

In september worden de dagen steeds …

A
kort
B
korter
C
korst

Slide 26 - Quizvraag

Ik vind de zomer het … seizoen.
fijne.
fijnere.
fijnste
A
fijne
B
fijnere
C
fijnste

Slide 27 - Quizvraag

Wat eet je het …?

A
graag
B
liever
C
liefst

Slide 28 - Quizvraag

Ik heb … kinderen dan zij.

A
weinig
B
minder
C
minst

Slide 29 - Quizvraag

Mijn huis is groot, maar jouw huis is
.........
.

Slide 30 - Open vraag

Zij gaan het
......... (graag)
naar Frankrijk op vakantie.

Slide 31 - Open vraag

Dit boek is
..... (dik)
dan dat boek.

Slide 32 - Open vraag

brood is gezond, maar groente is.....

Slide 33 - Open vraag

De groene jurk is mooi, maar de zwarte jurk is ......

Slide 34 - Open vraag

Ibrahim heeft weinig geld, maar Bilen heeft nog .......

Slide 35 - Open vraag

Schrijf de trappen van vergelijking op van: leuk

Slide 36 - Open vraag

Een auto gaat ......... een fiets.

Slide 37 - Open vraag

Een gram is ........ een kilo.

Slide 38 - Open vraag

Ik vind blauw en rood ............

Slide 39 - Open vraag

Schrijf de trappen van vergelijking
van: lief

Slide 40 - Open vraag

Schrijf de trappen van vergelijking
van: zwaar

Slide 41 - Open vraag

Schrijf de trappen van vergelijking
van: graag

Slide 42 - Open vraag

Wil je nog meer oefenen?

Slide 43 - Tekstslide

ik vond de les:
😒🙁😐🙂😃

Slide 44 - Poll

Wat heb je geleerd van de les?

Slide 45 - Open vraag