scheikunde

scheikunde in de biologie
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 23 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

scheikunde in de biologie

Slide 1 - Tekstslide

Wat moet je kennen? 
Begrippen:
- atoom, molecuul, ion, proton, elektron
- molecuulformule, structuurformule
- reagentia
- reactievergelijking, evenwichtsreacties, katalysator
- water- of vetoplosbaar (hydrofiel/polair, hydrofoob/apolair/lipofiel), verzadiging
- zuren en basen, pH, indicatoren
- aminozuren, eiwitten, peptidebinding
- reductie en oxidatie
- waterstof- en zwavelbruggen

Slide 2 - Tekstslide

wat moet je kennen?
Namen en formules van de volgende stoffen: 
ammoniak, calcium, fosfaat, ijzer, kalium, koolstofdioxide, methaan, natriumchloride, nitraat, stikstof en water;

Grootheden en eenheden: 
concentratie (mol/L of g/L), massapercentage,
volumepercentage, ppm.

Slide 3 - Tekstslide

Het atoommodel volgens Rutherford (1911)
Een atoom bestaat uit een positief geladen kern met daaromheen negatief geladen elektronen die in banen (orbitalen) om de kern heen cirkelen.
De kern bestaat uit meerdere delen (zie volgende slide)

Slide 4 - Tekstslide

Atoombouw
Een atoom is opgebouwd uit protonen, neutronen en elektronen.
De 1+ geladen protonen (p) en de ongeladen neutronen (n) bevinden zich in de atoomkern.
De 1 geladen elektronen (e-)bevinden zich in een wolk rond de atoomkern.

Slide 5 - Tekstslide

Atoombouw
Een atoom bestaat uit:
- elektronen (-)
- protonen (kern) (+)
- neutronen (kern)(o)

Slide 6 - Tekstslide

atomen
Atomen zijn de kleinste deeltjes die de elementen vormen. In het periodiek systeem staan de elementen afgebeeld.

Meerdere atomen die met elkaar verbonden zijn noemen we een molecuul.

Slide 7 - Tekstslide

Periodiek Systeem

Slide 8 - Tekstslide

van atoom naar molecuul 
Voorbeelden van elementen die je bij biologie tegenkomt:

H - waterstof
C- koolstof
O- zuurstof
N- stikstof
S- zwavel





P- fosfor
Cl- chloor
Na- natrium
K- kalium
Ca- calcium

Slide 9 - Tekstslide

atoombinding
  • elementen/atomen kunnen met elkaar verbonden zijn via een atoombinding, ook wel covalente binding genoemd
  • sommige atomen kunnen meerdere bindingen met andere atomen aangaan. 
  • Het aantal bindingen per atoom wordt bepaald door de covalentie van een atoom.


Slide 10 - Tekstslide

Covalenties van enkele atoomsoorten

Slide 11 - Tekstslide

Covalenties en bindingen
  • De covalentie van een atoom geeft dus aan hoeveel bindingen het atoom met een ander atoom aan kan gaan.
  • Een molecuul bestaat uit een aantal atomen die met elkaar verbonden zijn. bv methaan bestaat uit 1 C- atoom met daaraan vast 4 H-atomen. C heeft een covalentie van 4 en H heeft een covalentie van 1. De C kan dus 4 atomen binden en iedere H kan 1 atoom binden

Slide 12 - Tekstslide

Covalenties en bindingen
Je kunt methaan op 2 manieren weergeven:
  • als Molecuulformule: CH4 (Achter de H komt het cijfer 4 in subscript, omdat er 4 x een H voorkomt in het molecuul)
  • als Structuurformule: (de bindingen zijn weergegeven als streepjes) 

Slide 13 - Tekstslide

reactievergelijkingen
  • Bij reactievergelijkingen wordt gebruik gemaakt van  molecuulformules.
  • Voor de pijl staan de stoffen die met elkaar reageren, na de pijl staan de reactieproducten.
  • De pijl geeft de richting aan
  • Voor en na de pijl moeten de aantallen atomen hetzelfde zijn

Slide 14 - Tekstslide

voorbeeld van een reactievergelijking in de biologie
Fotosynthesereactie: 6CO2 + 12H2O+ E --> C6H12O6 + 6H2O + 6O2

  • De 6 voor de CO2 betekent dat er 6 moleculen CO2 reageren.
  • De E betekent dat er energie wordt toegevoegd, in dit geval energie uit zonlicht.
  • Dit is een biologische reactievergelijking. In de scheikunde zal men de E niet gebruiken en zal men de reactievergelijking vereenvoudigen, door aan beide kanten 6 watermoleculen weg te halen.

Slide 15 - Tekstslide

belangrijke structuurformules
glucose: 



aminozuren:  

Slide 16 - Tekstslide

belangrijke structuurformules
vetten: triglyceride, bestaat uit 1 glycerol (rood gedeelte) en 3 vetzuren (geel gedeelte) 


Slide 17 - Tekstslide

verzadigd vs onverzadigd
Verzadigd: het maximaal aantal atoombindingen per atoom is benut door een ander atoom (bv methaan CH4. De C (covalentie 4) heeft een binding met 4 H-atomen



Onverzadigd: er zijn meer bindingen mogelijk dan er atomen zijn, er treedt een dubbele binding op. (bv etheen C2H4. Beide C-atomen hebben een verbinding met 3 andere atomen, terwijl ze plek voor 4 hebben.

Slide 18 - Tekstslide

verschil verzadigde en onverzadigde vetzuren

Slide 19 - Tekstslide

condensatie- en hydrolysereacties
Condensatiereactie: Als losse moleculen samengevoegd worden tot een groter molecuul dan komt daar een watermolecuul bij vrij. (ezelsbrug: als water condenseert in bv de badkamer vormen er zich waterdruppeltjes op de spiegel)

Hydrolysereactie: Als grote moleculen in stukken "geknipt" worden, wordt er water gesplitst en worden de lossen OH en H atomen ingevoegd in deze losse stukken (ezelsbrug: Hydro = water, lysis = splitsen; denk aan lysosoom)

Slide 20 - Tekstslide

voorbeeld van een condensatiereactie bij vetten
De blauwe H en OH worden van de moelculen afgehaald om een triglyceride te vormen. Deze OH en H worden samen water.

Slide 21 - Tekstslide

condenstatiereactie bij eiwitten
Een OH en een H wordt van de aminozuren afgehaald om een eiwitketen te maken. Deze OH en H worden samen water

Slide 22 - Tekstslide

hydrolyse bij een eiwitketen
Water wordt gesplitst en ingebouwd in de losse aminozuren

Slide 23 - Tekstslide