Werkwoorden van positie (staan, liggen, zitten, etc.)

Werkwoorden van positie (staan, liggen, zitten, etc.)

Learning objective

1 / 19
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNT2Middelbare schoolvmbo bLeerjaar 2

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Werkwoorden van positie (staan, liggen, zitten, etc.)

Learning objective

Planning

  • Lesdoelen

  • Instructie

  • Aan de slag: Opdrachten

  • Afsluiting

Lesdoelen

  • Aan het eind van deze les weet je welke werkwoorden je gebruikt voor de positie van dingen.

  • Aan het einde van deze les weet je welke werkwoorden we gebruiken als iets plat (horizontaal) is.

  • Aan het einde van deze les weet je welke werkwoorden we gebruiken als iets rechtop (verticaal) is.

  • Je weet welke verschillen er in de werkwoorden zitten voor de actie en het resultaat.

  • Aan het eind van deze les heb je geoefend met de werkwoorden voor de positie van dingen.

Instructie

Voor de positie van dingen gebruiken we verschillende werkwoorden.


Als iets plat (horizontaal) is, gebruiken we leggen (voor de actie) en liggen (voor het resultaat):
Ik leg het boek op tafel              Het boek ligt op tafel.


Als iets rechtop (verticaal) is, gebruiken we zetten (voor de actie) en staan (voor het resultaat):
Ik zet het boek in de kast.         Het boek staat in de kast.

Let op: de positie van een bord lijkt misschien horizontaal, maar toch gebruik je zetten en staan: Ik zet het bord op tafel, het bord staat op tafel.


Instructie

Voor dingen in een kleine ruimte gebruiken we stoppen en zitten:
Ik stop mijn sleutels in mijn zak.        Mijn sleutels zitten in mijn zak.


Als de positie niet duidelijk is, gebruiken we doen:
Ik doe water in de pan.

Heb je de kopjes op tafel gezet?

A

Ja, ze liggen op tafel.

B

Ja, ze zitten op tafel.

C

Ja, ze staan op tafel.

Heb je de was in de wasmachine gestopt?

A

Ja, alles ligt in de wasmachine.

B

Ja, alles zit in de wasmachine.

C

Ja, alles staat in de wasmachine.

Heb je de borden in de kast gezet?

A

Ja, ze liggen in de kast.

B

Ja, ze zitten in de kast.

C

Ja, ze staan in de kast.

Heb je mijn telefoon in mijn tas gestopt?

A

Ja, hij ligt in je tas.

B

Ja, hij zit in je tas.

C

Ja, hij staat in je tas.

Het formulier … op mijn bureau.

A

ligt

B

zit

C

staat

Mijn kopje is gevallen. Het … op de grond.

A

ligt

B

zit

C

staat

Er … bloemen in de tuin.

A

liggen

B

zitten

C

staan

Mijn geld … in mijn tas.

A

ligt

B

zit

C

staat

Ik heb tomaten gekocht. Ik … ze in mijn tas.

A

leg

B

stop

C

zet

Ik zet de bloemen in een vaas. Daarna … ik ze op tafel.

A

leg

B

stop

C

zet

Mijn telefoon … nog in de auto.

A

ligt

B

zit

C

staat

Wil jij even bestek op tafel …?

A

leggen

B

stoppen

C

zetten

Invuloefening

1 Ik ga koken. Eerst ik doe water in een pan.

2 Dan zet ik de pan op het vuur.

3 Ik pak de rijst die in de kast staat.

4 Het pak valt, er ligt wat rijst op de grond.

5 Ik gebruik de helft van het pak en zet het dan weer terug in de kast.

6 Dan zet ik de borden op tafel en ik leg lepels ernaast.

7 Als de rijst klaar is, doe ik de rijst in een kom.

8 Als alles op tafel staat, kunnen we eten.

doe
zet
staat
ligt
zet
zet
leg
doe
staat

Afsluiting

  • Welke werkwoorden gebruiken we voor de positie van dingen?

  • Welke werkwoorden gebruiken we als iets plat (horizontaal) is? Welke voor de actie en welke voor het resultaat?

  • Welke werkwoorden gebruiken we als iets rechtop (verticaal) is? Welke voor de actie en welke voor het resultaat?

  • Welke gebruiken we bij een bord?