Werkwoorden van positie (staan, liggen, zitten, etc.)
Learning objective
Werkwoorden van positie (staan, liggen, zitten, etc.)
Learning objective
Planning
Lesdoelen
Instructie
Aan de slag: Opdrachten
Afsluiting
Lesdoelen
Aan het eind van deze les weet je welke werkwoorden je gebruikt voor de positie van dingen.
Aan het einde van deze les weet je welke werkwoorden we gebruiken als iets plat (horizontaal) is.
Aan het einde van deze les weet je welke werkwoorden we gebruiken als iets rechtop (verticaal) is.
Je weet welke verschillen er in de werkwoorden zitten voor de actie en het resultaat.
Aan het eind van deze les heb je geoefend met de werkwoorden voor de positie van dingen.
Instructie
Voor de positie van dingen gebruiken we verschillende werkwoorden.
Als iets plat (horizontaal) is, gebruiken we leggen (voor de actie) en liggen (voor het resultaat):
Ik leg het boek op tafel Het boek ligt op tafel.
Als iets rechtop (verticaal) is, gebruiken we zetten (voor de actie) en staan (voor het resultaat):
Ik zet het boek in de kast. Het boek staat in de kast.
Let op: de positie van een bord lijkt misschien horizontaal, maar toch gebruik je zetten en staan: Ik zet het bord op tafel, het bord staat op tafel.
Instructie
Voor dingen in een kleine ruimte gebruiken we stoppen en zitten:
Ik stop mijn sleutels in mijn zak. Mijn sleutels zitten in mijn zak.
Als de positie niet duidelijk is, gebruiken we doen:
Ik doe water in de pan.
Heb je de kopjes op tafel gezet?
Ja, ze liggen op tafel.
Ja, ze zitten op tafel.
Ja, ze staan op tafel.
Heb je de was in de wasmachine gestopt?
Ja, alles ligt in de wasmachine.
Ja, alles zit in de wasmachine.
Ja, alles staat in de wasmachine.
Heb je de borden in de kast gezet?
Ja, ze liggen in de kast.
Ja, ze zitten in de kast.
Ja, ze staan in de kast.
Heb je mijn telefoon in mijn tas gestopt?
Ja, hij ligt in je tas.
Ja, hij zit in je tas.
Ja, hij staat in je tas.
Het formulier … op mijn bureau.
ligt
zit
staat
Mijn kopje is gevallen. Het … op de grond.
ligt
zit
staat
Er … bloemen in de tuin.
liggen
zitten
staan
Mijn geld … in mijn tas.
ligt
zit
staat
Ik heb tomaten gekocht. Ik … ze in mijn tas.
leg
stop
zet
Ik zet de bloemen in een vaas. Daarna … ik ze op tafel.
leg
stop
zet
Mijn telefoon … nog in de auto.
ligt
zit
staat
Wil jij even bestek op tafel …?
leggen
stoppen
zetten
Invuloefening
1 Ik ga koken. Eerst ik doe water in een pan.
2 Dan zet ik de pan op het vuur.
3 Ik pak de rijst die in de kast staat.
4 Het pak valt, er ligt wat rijst op de grond.
5 Ik gebruik de helft van het pak en zet het dan weer terug in de kast.
6 Dan zet ik de borden op tafel en ik leg lepels ernaast.
7 Als de rijst klaar is, doe ik de rijst in een kom.
8 Als alles op tafel staat, kunnen we eten.
Afsluiting
Welke werkwoorden gebruiken we voor de positie van dingen?
Welke werkwoorden gebruiken we als iets plat (horizontaal) is? Welke voor de actie en welke voor het resultaat?
Welke werkwoorden gebruiken we als iets rechtop (verticaal) is? Welke voor de actie en welke voor het resultaat?
Welke gebruiken we bij een bord?