havo hoofdstuk 14

H14 havo
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

H14 havo

Slide 1 - Tekstslide

14.1 Centraal examen

Slide 2 - Tekstslide

14.2 Reactievergelijkingen

Slide 3 - Tekstslide

14.3 Chemisch rekenen

Slide 4 - Tekstslide

14.4 Structuurformules

Slide 5 - Tekstslide

14.5 Blokschema's

Slide 6 - Tekstslide

Wat ontbreekt er aan deze reactievergelijking?
A
Er ontbreekt een aminozuur rechts van de pijl.
B
Er ontbreekt water links van de pijl.
C
Er ontbreekt 2H₂O links van de pijl.
D
Er ontbreekt 2H₂O rechts van de pijl.

Slide 7 - Quizvraag

Als de reactievergelijking


kloppend is, is de molverhouding :
Cl+ClO3+H+Cl2+H2O
Cl/ClO3
A
1/1
B
2/1
C
3/1
D
5/1

Slide 8 - Quizvraag

Maak de reactievergelijking kloppend.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 9 - Quizvraag

Wat moet er voor CO2 staan om de reactie kloppend te maken?

C6H12O6(s)+6O2(g)6H2O(g)+....CO2(g)
A
12
B
6
C
3
D
4

Slide 10 - Quizvraag

Stijn verbrandt 10 gram alcohol. De verbranding is volledig. Geef de kloppende reactievergelijking.
A
C2H6O2C+6H+O
B
C2H6O+3O22CO2+3H2O
C
C2H6O72CO2+3H2O
D
2C2H6O4CO2+6H2O

Slide 11 - Quizvraag

De kloppende reactievergelijking van de ontleding van water in zuurstof en waterstofgas moet dus zijn:
A
H2O2(l)>O2(g)+H2(g)
B
H2O(l)>O(g)+H2(g)
C
2H2O(l)>O2(g)+2H2(g)
D
H2O(l)>O(g)+2H(g)

Slide 12 - Quizvraag

Welke coefficienten moeten er staan om de vergelijking kloppend te maken?
....Mg3N2(s)+....H2O(l)....MgO(s)+....NH3(l)
A
1 - 3 - 3 - 2
B
2 - 6 - 6 - 4
C
1 - 2 - 2 - 3
D
1 - 6 - 3 - 2

Slide 13 - Quizvraag

Maak de reactievergelijking kloppend en geef de naam van de stof die ontstaat:
C10H22>C6H14+...
A
etheen
B
propeen
C
buteen
D
penteen

Slide 14 - Quizvraag

Welke coefficienten moet je invullen om de reactie kloppend te maken?

....P(s)+....Cl2....PCl5
A
1/2/5
B
2/5/2
C
2/2/5
D
1/5/2

Slide 15 - Quizvraag

Wat is er hier fout?
BaCO3(s)>Ba2+(aq)+CO32(aq)
A
De ladingen kloppen niet
B
De zoutformule van bariumcarbonaat is fout
C
De reactievergelijking is niet kloppend
D
bariumcarbonaat slecht oplosbaar, dus het kan niet

Slide 16 - Quizvraag

Maak de volgende reactievergelijking kloppend:

....PbO(s)+....O2(g)....Pb3O4(s)
A
3PbO(s)+2O2(g)Pb3O4(s)
B
3PbO4(s)+O2(g)Pb3O4(s)
C
6PbO(s)+O2(g)3Pb3O2(s)
D
Pb6O(s)+O2(g)2Pb3O4(s)

Slide 17 - Quizvraag

Hoe goed kun je de molverhouding afleiden uit de reactievergelijking?
A
het lukt niet, ik kan geen reactievergelijkingen opstellen
B
het lukt niet, ik weet niet naar welke getallen ik moet kijken
C
ik weet dat ik naar de coëfficiënten moet kijken, maar begrijp niet waarom
D
kloppend maken lukt prima en ik begrijp waarom ik naar de coëfficiënten moet kijken

Slide 18 - Quizvraag

Wat is de kloppende reactievergelijking van de reactie?
A
CH4(g)+O2(g)CO2(g)+H2O(l)
B
CH4(g)+O2(g)CO2(g)+2H2O(l)
C
CH4(g)+2O2(g)CO2(g)+H2O(l)
D
CH4(g)+2O2(g)CO2(g)+2H2O(l)

Slide 19 - Quizvraag

Hoeveel moleculen zijn aanwezig in 2,00 mol zwaveldioxide?
A
12,04*10^24
B
1,20*10^24
C
3,32*10^-24
D
3,3*10^-24

Slide 20 - Quizvraag

Er moet dus 2,45 mol N2 ontstaan.
Hoeveel mol NaN3 is er dan nodig?

A
2 mol NaN3
B
2/3 mol NaN3
C
2,45 : 3 x 2 = 1,63 mol NaN3
D
2,45 : 2 x 3 = 3,68 mol NaN3

Slide 21 - Quizvraag

Stel, je hebt 200 mL van een suiker-oplossing van 0,5 mol/L. Hoeveel mol suiker zit daarin?
A
1,0 mol
B
0,5 mol
C
0,2 mol
D
0,1 mol

Slide 22 - Quizvraag

Hoeveel mol is 8,02 gram methaan?
A
1,00 mol
B
0,500 mol
C
0,750 mol
D
2,00 mol

Slide 23 - Quizvraag

In een oplossing van 250 mL zit 0,020 mol KOH. Wat is de pH?
A
pH = - log (0,020/0,250) = 1,10
B
pOH = - log (0,020/0,250) = 1,10
C
pOH=-log (0,020/0,250) = 1,10 pH = 14,00 - 1,10 = 12,90
D
geen van de antwoorden klopt

Slide 24 - Quizvraag

Hoe kom je van mL alchol naar mol alcohol?
A
x dichtheid en dan : molmassa
B
x dichtheid en dan x molmassa
C
: dichtheid en dan x molmassa
D
: dichtheid en dan : molmassa

Slide 25 - Quizvraag

Hoe kom je van de concentratie in mol/L naar het aantal mol
A
xde molaire massa
B
x de dichtheid
C
x het aantal L oplossing
D
: de molariteit

Slide 26 - Quizvraag

Hoeveel mol Na+ ontstaat er dus uit 3,262 mol NaCl?
A
3,262 mol
B
1,631 mol
C
6,524 mol
D
0,8155 mol

Slide 27 - Quizvraag

In 100 mL oplossing van 1,0 M is ... mol aanwezig.
A
0,01 mol
B
0,1 mol
C
10 mol

Slide 28 - Quizvraag

Hoeveel mol komt overeen met 120 gram ijzer?
A
4,30 mol
B
2,155 mol
C
2,15 mol
D
6,70*10^2 mol

Slide 29 - Quizvraag

Van mol naar gram doe je...
A
Keer dat grote getal
B
Gedeeld door dat grote getal
C
Keer de molecuulmassa
D
Gedeeld door de molecuulmassa

Slide 30 - Quizvraag

Wat heeft meer massa één mol IJzer (Fe) of één mol Zink (Zn)?
Tip: Check je BINAS
A
Eén mol IJzer
B
Eén mol Zink
C
Beide evenveel

Slide 31 - Quizvraag

Hoeveel gram komt overeen met 0,442 mol CO₂? (M = 44,01 g/mol)
A
19,49 g
B
0,01 g
C
99,57 g
D
19,5 g

Slide 32 - Quizvraag