3B:Tekstverbanden en signaalwoorden(2)


Nederlands
Tekstanalyse

Tekstverbanden en signaalwoorden

2B (th)
  2019-2020
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les


Nederlands
Tekstanalyse

Tekstverbanden en signaalwoorden

2B (th)
  2019-2020

Slide 1 - Tekstslide

Vorige les Verbanden en Signaalwoorden

Chronologisch verband
Opsommend verband
Tegenstellend verband

Slide 2 - Tekstslide

Aan het einde van deze les ...
Ken je de volgende verbanden:
- chronologisch
-opsomming
- tegenstelling



Slide 3 - Tekstslide

Aan het einde van deze les heb je kennisgemaakt met:
-

- toelichtend verband (voorbeeld)
- voorwaardelijk verband
- redengevend verband


Slide 4 - Tekstslide

Verbanden binnen zinnen, tussen zinnen en tussen alinea's
Signaalwoorden verbinden zinnen aan elkaar en zorgen zo voor een goedlopende, begrijpelijke samengestelde zin.
Ik houd van pizza, maar niet van pasta.

Signaalwoorden kunnen ook 2 losstaande enkelvoudige zinnen aan elkaar verbinden. Ik houd van pizza. Ik houd echter niet van pasta.

Daarnaast kunnen signaalwoorden alinea's met elkaar verbinden.

Slide 5 - Tekstslide

Tekstverbanden
Opsomming 
Na een uitspraak worden verschillende dingen opgesomd.
Signaalwoorden: ook, verder, bovendien, daarnaast, nog, niet alleen...maar ook, ten eerste, ten tweede

Mijn vrije tijd gebruik ik voor leuke dingen (= uitspraak).
'In de eerste plaats' sport ik graag. 'Verder'houd ik van televisiekijken. 'Ook ' vind ik het heerlijk om een spannend boek te lezen (= opsomming van drie zaken). 




Slide 6 - Tekstslide

Tekstverbanden
Tegenstelling
Na een uitspraak wordt het tegengestelde beweerd.
Signaalwoorden: maar, daarentegen, echter, integendeel, enerzijds ...anderzijds, daar staat tegenover

Evert is een ontzettend avontuurlijke vent (= uitspraak).
Zijn vriend 'daarentegen' is een enorme huismus die er geen behoefte aan heeft bijzondere dingen te beleven (= tegenstelling). 

Slide 7 - Tekstslide

Tekstverbanden
Toelichting (voorbeeld)
Na een uitspraak volgt een voorbeeld / een aantal voorbeelden.
Signaalwoorden: bijvoorbeeld, als voorbeeld, zo, zoals

Je kunt in de spits haast niet meer opschieten in de Randstad (= uitspraak).
'Zo' kost het je vaak twee uur om van Den Haag naar Rotterdam te reizen, een afstand die je normaal in twintig minuten aflegt (= voorbeeld).



Slide 8 - Tekstslide

Voorwaardelijk verband
Maakt duidelijk dat iets onder bepaalde voorwaarden gebeurt.

Signaalwoorden: als(....dan), indien, tenzij, wanneer

Johan wil wel in de achtbaan, als Anna met hem meegaat. 

Slide 9 - Tekstslide

Het redengevend verband 
Geeft een reden aan. 
Signaalwoorden: daarom, dus, want, omdat

Ik ga naar huis, omdat ik moet leren. 

Slide 10 - Tekstslide

Aan de slag!

Lees de tekst: 

Leesvaardigheid van Nederlandse jongeren daalt steeds harder (dit is een linkje)

Lees de tekst en beantwoord de vragen op de volgende slides.

Slide 11 - Tekstslide

"De leesvaardigheid van Nederlandse jongeren daalt steeds harder, zeker in vergelijking met andere landen. Dat blijkt uit Pisa, een wereldwijd onderzoek naar de leerprestaties van vijftienjarigen dat elke drie jaar wordt uitgevoerd.|
Waar verwijst het woord 'Dat' naar?

Slide 12 - Open vraag

"Nederland staat als het gaat om leerprestaties in de middenmoot. De leesvaardigheid van Nederlandse tieners blijkt echter flink te zijn gedaald, tot onder het gemiddelde niveau in vergelijkbare landen."

Noteer het signaalwoord.

Slide 13 - Open vraag

Bij welk verband hoor het signaalwoord van de vorige vraag?
A
Toelichtend(voorbeeld)
B
Opsomming
C
Tegenstelling

Slide 14 - Quizvraag

"Opvallend is dat het leesplezier van vijftienjarigen in Nederland opvallend veel lager is dan in andere landen. 60 procent van de Nederlandse ondervraagden zegt alleen te lezen als het echt moet, bijvoorbeeld om informatie te vinden. Bijna de helft noemt lezen zelfs tijdverspilling. Slechts een op de vijf tieners vindt lezen een hobby."

Noteer het signaalwoord.

Slide 15 - Open vraag

Bij welk verband hoor het signaalwoord van de vorig vraag?
A
Conclusie
B
Opsomming
C
Tegenstelling
D
Toelichtend(voorbeeld)

Slide 16 - Quizvraag

"Opvallend is dat het leesplezier van vijftienjarigen in Nederland opvallend veel lager is dan in andere landen. 60 procent van de Nederlandse ondervraagden zegt alleen te lezen als het echt moet, bijvoorbeeld om informatie te vinden. Bijna de helft noemt lezen zelfs tijdverspilling. Slechts een op de vijf tieners vindt lezen een hobby."

Noteer de delen van het verband

Slide 17 - Open vraag

"Over het algemeen hebben meisjes meer plezier in het lezen dan jongens en zij zijn er ook beter in."

Welke twee signaalwoorden voor een opsomming zie je hier?

Slide 18 - Open vraag

Het Pisa-onderzoek vergelijkt heel bewust leeftijdgenoten en geen klasgenoten, omdat de schoolsystemen over de hele wereld lastiger te vergelijken zijn.

Noteer het signaalwoord.

Slide 19 - Open vraag

Bij welk verband hoor het signaalwoord van de vorig vraag?
A
Opsomming
B
Redengevend
C
Concluderend
D
Voorwaardelijk

Slide 20 - Quizvraag

Het Pisa-onderzoek vergelijkt heel bewust leeftijdgenoten en geen klasgenoten, omdat de schoolsystemen over de hele wereld lastiger te vergelijken zijn.

Noteer de delen van het verband.

Slide 21 - Open vraag

De onderwijsbond beklemtoont dat het steeds moeilijker wordt om goede docenten te vinden, zeker voor het vak Nederlands. "Ook hier zullen de problemen toenemen, gezien de dalende interesse voor lerarenopleidingen en voor de studie Nederlands op universiteiten", waarschuwt De Moel.

Noteer het signaalwoord.

Slide 22 - Open vraag

Bij welk verband hoor het signaalwoord van de vorig vraag?
A
Tegenstelling
B
Opsomming
C
Concluderend
D
Voorwaardelijk

Slide 23 - Quizvraag