Beeldspraak met quizvragen

Welkom klas
Doe je telefoon in de telefoontas. 
Ga op je vaste plek zitten. 
Pak je leesboek. 
Laat de iPad in de tas. 
Geen tas op tafel.
Geen jas of kauwgom in het lokaal. 
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Welkom klas
Doe je telefoon in de telefoontas. 
Ga op je vaste plek zitten. 
Pak je leesboek. 
Laat de iPad in de tas. 
Geen tas op tafel.
Geen jas of kauwgom in het lokaal. 

Slide 1 - Tekstslide

Vandaag


  • 10 min stil lezen
  • Uitleg beeldspraak

  • In groepjes werken aan de PO

Slide 2 - Tekstslide

Stil lezen
timer
10:00

Slide 3 - Tekstslide

Lesdoelen
Na deze les:
  • Kan ik uitleggen wat beeldspraak is. 

  • Heb ik zelf (het begin van) een gedicht met een beeldspraak (vergelijking, metafoor of personificatie) geschreven.

  • Kan ik uitleggen wat een flashback en flash-forward is. 

Slide 4 - Tekstslide

Herhaling vorige les

Slide 5 - Tekstslide

De PO: de 5 zelfgeschreven gedichten

Je groepje schrijft zelf vijf gedichten:
  • 2 haiku's
  • 1 beeldgedicht
  • 1 stiftgedicht
  • 1 gedicht naar keuze (sonnet, rondeel, limerick, elfje)

    Slide 6 - Tekstslide

    De PO: de vijf zelfgeschreven gedichten
    Minstens 1 van jullie eigen gedichten bevat rijm en minstens 1 van jullie gedichten bevatten geen rijm:
    gepaard rijm a a b b
    omarmend rijm a b b a
    gekruist rijm a b a b

    Maak gebruik van minstens 1 stijlfiguur, zoals een vergelijking, metafoor of personificatie en geef aan waar je die hebt toegepast.

    Slide 7 - Tekstslide

    Wie weet wat beeldspraak is?

    Vingers

    Slide 8 - Tekstslide

    Beeldspraak
    Beeldspraak is figuurlijk taalgebruik. Je bedoelt niet letterlijk wat je zegt, maar gebruikt beelden om iets sterker uit te drukken. 
    'Vlinders in je buik hebben.' Je hebt dan niet letterlijk vlinders in je buik, maar hiermee wordt bedoeld dat je verliefd bent. 

    We behandelen er drie:

    de vergelijking
    de metafoor 
    de personificatie

    Slide 9 - Tekstslide

    De vergelijking
    Een vergelijking noemt de overeenkomst 
    tussen twee dingen: 

    • Haar lippen zijn zo rood als wijn. 
    • Hij is net zo rijk als Dagobert Duck.

    Structuur: A is als B

    Slide 10 - Tekstslide

    De metafoor
    Een metafoor is gelijk aan een vergelijking zonder het woordje 'als'.

    'De kamer van mijn broer is een zwijnenstal.'
    Het is daar een enorme bende. 

    Als je bijvoorbeeld wilt zeggen dat je klasgenoot Bram altijd alles weet, kan je daar een metafoor van maken:
    'Bram is de wandelende encyclopedie van de klas.'

    Structuur: A is B


    Slide 11 - Tekstslide

    Welke zin bevat een metafoor?
    A
    Jouw ogen zijn als sterren.
    B
    Wat een boom van een kerel.
    C
    Als het kalf verdronken is, dempt men de put.
    D
    Dat meisje lijkt wel een prinses, zo elegant!

    Slide 12 - Quizvraag

    "Dat oude dametje is zo mager als een lat." Is dit een metafoor of een vergelijking?
    A
    metafoor
    B
    vergelijking

    Slide 13 - Quizvraag

    Personificatie
    Bij de personificatie ken je menselijke eigenschappen toe aan iets abstracts: 

    De stoel zuchtte onder zijn gewicht. 
    Tijd die voorbij kruipt.
    De wind die fluit. 

    Zuchten, kruipen en fluiten zijn dingen die mensen wél kunnen, maar dingen niet.

    Slide 14 - Tekstslide

    "Wolken en zon spelen haasje over."
    Is dit een personificatie?
    A
    ja
    B
    nee

    Slide 15 - Quizvraag

    "Het papier is geduldig."
    Is dit een personificatie?
    A
    ja
    B
    nee

    Slide 16 - Quizvraag

    Huiswerk
    Noteer in je agenda!

    Vrijdag 3 februari lesuur 2

    Afhebben zodat klasgenoten en ik feedback kunnen geven:
    • Eigen geschreven gedicht met 1 vorm van beeldspraak 


    Slide 17 - Tekstslide

    Aan de slag
    Je kiest met je groepje één van de uitgelegde beeldspraken uit en verwerkt die in één van jullie eigen geschreven gedichten. 

    Twee groepjes mogen op het leerplein. Wie zijn aan de beurt?


    Slide 18 - Tekstslide


    Is de opdracht duidelijk?


    Slide 19 - Tekstslide

    Zijn voor jou de lesdoelen behaald
    Ik kan uitleggen wat beeldspraak is. 

    Ik heb zelf (het begin van) een gedicht met een beeldspraak (vergelijking, metafoor of personificatie) geschreven.


    Slide 20 - Tekstslide

    Volgende les
    Geven jullie feedback op elkaars gedicht met de beeldspraak.

    Slide 21 - Tekstslide

    Hoe ging deze les?
    Wat heb je geleerd vandaag?

    Wat vond je leuk aan deze les? 

    Heeft iemand vragen?

    Slide 22 - Tekstslide

    Fijne dag 
    &
    tot de volgende keer!

    Slide 23 - Tekstslide