W2 - L1: Vooronderstellingen

De drie kenmerken van een filosofische vraag:

Herhaling
Een voorbeeld van een filosofische vraag
Een voorbeeld van een niet filosofische vraag
Het tegenovergestelde van een filosofische vraag
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
FilosofieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

De drie kenmerken van een filosofische vraag:

Herhaling
Een voorbeeld van een filosofische vraag
Een voorbeeld van een niet filosofische vraag
Het tegenovergestelde van een filosofische vraag

Slide 1 - Tekstslide

  1. Herhaling
  2. Huiswerk bespreken
  3. Uitleg: vooronderstelling
  4. Aan de slag 
Programma

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
2. Filosofisch gereedschap II: ik kan vooronderstellingen herkennen en bekritiseren.
Dat betekent:
• Ik kan uitleggen wat vooronderstellingen zijn
• Ik kan vooronderstellingen herkennen en benoemen
• Ik kan vooronderstellingen evalueren.

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Link

Ik kan uitleggen wat vooronderstellingen zijn
Vooronderstelling:
aanname waar je indirect vanuit gaat, die je niet expliciet zegt en die niet ter discussie staan
  • Aanname
  • Niet expliciet
  • Niet ter discussie

Slide 5 - Tekstslide

Ik kan uitleggen wat vooronderstellingen zijn
Vooronderstelling:
aanname waar je indirect vanuit gaat, die je niet expliciet zegt en die niet ter discussie staan.

Iets waar je vanuit gaat, je zegt dat het waar is zonder echt bewijs.
<i>"Ik ga er vanuit dat meneer Langhout uit Flevoland komt, want hij ziet er een beetje uit als een boer."</i>
Een trein rijdt van Groningen naar Den Haag. Bereken hoe lang de trein hierover doet.<div><br></div><div>Ga er vanuit dat de trein 150 km/u rijdt, en dat Den Haag naar Groningen 80 kilometer is.</div>

Slide 6 - Tekstslide

Ik kan uitleggen wat vooronderstellingen zijn
Vooronderstelling:
aanname waar je indirect vanuit gaat, die je niet expliciet zegt en die niet ter discussie staan.

Iets is expliciet als je het hardop zegt of uitspreekt
Iets is impliciet als je dat niet doet.
Ik vind pannenkoeken lekker
Ik vind pizza lekker. Ik eet liever pannenkoeken dan pizza.

Slide 7 - Tekstslide

Ik kan uitleggen wat vooronderstellingen zijn
Vooronderstelling:
aanname waar je indirect vanuit gaat, die je niet expliciet zegt en die niet ter discussie staan.

Waarom staan impliciete uitspraken niet ter discussie?
Kennan vertelt niet de waarheid, dus hij is geen goede vriend.
Taylor Swift is de meest populaire muzikant, dus ze is heel goed.

Slide 8 - Tekstslide

Ik kan vooronderstellingen herkennen en benoemen

  • Stap 1: Kijk naar de aannames van een uitspraak
  • Stap 2: Zijn deze uitspraken expliciet of impliciet?
  • Stap 3: De aannames die impliciet zijn zijn de vooronderstellingen 

Slide 9 - Tekstslide

Ik kan vooronderstellingen herkennen en benoemen

"Mijn vader is een man, dus hij wil liever geen bos bloemen voor zijn verjaardag."

Aannames:

Expliciet of impliciet?:
Vooronderstelling:

Slide 10 - Tekstslide

Ik kan vooronderstellingen herkennen en benoemen

"Mijn vader is een man, dus hij wil liever geen bos bloemen voor zijn verjaardag."

Aannames: "mijn vader is een man" "Mannen willen geen bloemen"
Expliciet of impliciet?:
Vooronderstelling:

Slide 11 - Tekstslide

Ik kan vooronderstellingen herkennen en benoemen

"Mijn vader is een man, dus hij wil liever geen bos bloemen voor zijn verjaardag."

Aannames: "mijn vader is een man" "Mannen willen geen bloemen"
Expliciet of impliciet?: 1e expliciet, 2e is impliciet
Vooronderstelling:

Slide 12 - Tekstslide

Ik kan vooronderstellingen herkennen en benoemen

"Mijn vader is een man, dus hij wil liever geen bos bloemen voor zijn verjaardag."

Aannames: "mijn vader is een man" "Mannen willen geen bloemen"
Expliciet of impliciet?: 1e expliciet, 2e is impliciet
Vooronderstelling: "Mannen willen geen bloemen"

Slide 13 - Tekstslide

Ik kan vooronderstellingen herkennen en benoemen

"Alle vrouwen houden van bloemen, dus ik kan mijn moeder het beste een mooie bos bloemen voor haar verjaardag geven."

Aannames: 

Expliciet of impliciet?:
Vooronderstelling: 

Slide 14 - Tekstslide

Ik kan vooronderstellingen herkennen en benoemen

"Alle vrouwen houden van bloemen, dus ik kan mijn moeder het beste een mooie bos bloemen voor haar verjaardag geven."

Aannames: "Alle vrouwen houden van bloemen." "Mijn moeder is een vrouw."
Expliciet of impliciet?:
Vooronderstelling: 

Slide 15 - Tekstslide

Ik kan vooronderstellingen herkennen en benoemen

"Alle vrouwen houden van bloemen, dus ik kan mijn moeder het beste een mooie bos bloemen voor haar verjaardag geven."

Aannames: "Alle vrouwen houden van bloemen." "Mijn moeder is een vrouw."
Expliciet of impliciet?: 1e expliciet, 2e impliciet
Vooronderstelling: 

Slide 16 - Tekstslide

Ik kan vooronderstellingen herkennen en benoemen

"Alle vrouwen houden van bloemen, dus ik kan mijn moeder het beste een mooie bos bloemen voor haar verjaardag geven."

Aannames: "Alle vrouwen houden van bloemen." "Mijn moeder is een vrouw."
Expliciet of impliciet?: 1e expliciet, 2e impliciet
Vooronderstelling: "Mijn moeder is een vrouw."

Slide 17 - Tekstslide

Ik kan vooronderstellingen herkennen en benoemen

Aan de slag:
  • Lees paragraaf 2 en 2.1 (pagina 7)
  • Maak opdracht 4 helemaal
  • Maak als je klaar bent ook opdracht 5

Slide 18 - Tekstslide

Ik kan vooronderstellingen herkennen en benoemen

Slide 19 - Tekstslide

Leerdoelen
2. Filosofisch gereedschap II: ik kan vooronderstellingen herkennen en bekritiseren.
Dat betekent:
• Ik kan uitleggen wat vooronderstellingen zijn
• Ik kan vooronderstellingen herkennen en benoemen
• Ik kan vooronderstellingen evalueren.

Slide 20 - Tekstslide