woordvolgorde in het Nederlands

Zinnen maken
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Beroepsopleiding

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Zinnen maken

Slide 1 - Tekstslide

Wat is de goede woordvolgorde in een normale zin?
tweede werkwoord
<b>1</b>
<b>2</b>
<b>3</b>
<b>4</b>
de rest
wie of wat
Eerste werkwoord

Slide 2 - Sleepvraag

Wat is de goede woordvolgorde in een normale zin?
leren
<b>1</b>
<b>2</b>
<b>3</b>
<b>4</b>
Nederlands
Zij
wil

Slide 3 - Sleepvraag

Wie/wat - werkwoord - rest van de zin - tweede werkwoord

Ik ga om half negen met de fiets naar school.

Slide 4 - Tekstslide

Woordvolgorde

  • Schrijf de woorden in de juiste volgorde.
  • Denk eraan: het woord met de hoofdletter is het eerste woord van de zin.

Slide 5 - Tekstslide

eindigt-De les-4-uur-om

Slide 6 - Open vraag

Ik een balkon heb maar ik geen tuin heb.

Slide 7 - Open vraag

1. En, maar, of, dus, want


Slide 8 - Tekstslide

Ik ga naar de dokter want

Slide 9 - Open vraag

Ga je mee naar de film of

Slide 10 - Open vraag

Hij wil naar de les maar

Slide 11 - Open vraag

Want/omdat
Jolijn kwam te laat voor de les. De lift was kapot.

Jolijn kwam te laat voor de les want de lift was kapot

Jolein kwam te laat voor de les omdat de lift kapot was. 


Slide 12 - Tekstslide

Hij is blij, want hij heeft zijn diploma gehaald.

Hij is blij, omdat hij zijn diploma heeft gehaald.

Slide 13 - Tekstslide

Omdat, als
Ik ga naar de tandarts omdat ik kiespijn heb. 
Ik ga naar de tandarst als ik kiespijn heb.

Slide 14 - Tekstslide

Iedereen gaat naar huis. Het is vakantie.(omdat)

Slide 15 - Open vraag