PRODUCENT · KOSTEN EN WINST
Examentraining
Kosten, omzet en winst: zo pak je examenvragen aan
PRODUCENT · KOSTEN EN WINST
Examentraining
Kosten, omzet en winst: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Prolete / Wikimedia Commons, CC0
PRODUCENT · KOSTEN EN WINST
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over omzet, kosten, winst en btw beantwoorden met een casus.
Deze slide heeft geen instructies
PRODUCENT · KOSTEN EN WINST
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: de casus. Welk bedrijf is het en welke gegevens staan erbij?
2. Zoek: wat wordt gevraagd: omzet, kosten, winst, btw of marktaandeel.
3. Reken: zet de som op papier, reken stap voor stap en controleer twee keer.
4. Kies: het antwoord en kijk of het bedrag logisch is.
Deze slide heeft geen instructies
PRODUCENT · KOSTEN EN WINST
Vraagtype 1: omzet, winst en verlies
Omzet = afzet x verkoopprijs exclusief btw. Afzet = omzet : verkoopprijs.
Winst = opbrengsten - kosten. Zijn de kosten hoger, dan is er verlies.
Alle leerwegen.
Kapper: omzet 4.200 euro, kosten 4.500 euro. Winst of verlies?
300 euro winst
8.700 euro winst
300 euro verlies
4.200 euro verlies
4.200 - 4.500 = -300, dus verlies. Verwachte fouten: het minteken vergeten (300 winst) of optellen (8.700).
Snackbar: omzet 900 euro, kroket 1,50 euro per stuk exclusief btw. Afzet?
1.350 kroketten
60 kroketten
600 kroketten
150 kroketten
900 : 1,50 = 600; controle 600 x 1,50 = 900. Verwachte fout: vermenigvuldigen (1.350).
PRODUCENT · KOSTEN EN WINST
Bakkerij Riedstra in Veendam, 2019
Vraagtype 2: kosten per product en afschrijving
Kosten per product = (vaste kosten + variabele kosten) : productie.
Afschrijvingskosten per jaar = aanschafprijs : aantal jaren dat het meegaat.
Alleen KB en GL/TL. Image credit: Donald Trung Quoc Don / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Vast 1.000 euro, variabel 3 euro per knipbeurt. Bij 250 knipbeurten: kosten per knipbeurt?
7 euro
3 euro
4 euro
1.750 euro
250 x 3 = 750; 1.000 + 750 = 1.750; 1.750 : 250 = 7. Verwachte fouten: alleen de variabele kosten (3), alleen de vaste kosten per stuk (4) of de totale kosten (1.750).
Een frituurpan van 2.500 euro gaat 5 jaar mee. Afschrijvingskosten per jaar?
250 euro
2.500 euro
12.500 euro
500 euro
2.500 : 5 = 500. Verwachte fouten: delen door 10 (250), niet delen (2.500) of vermenigvuldigen (12.500).
PRODUCENT · KOSTEN EN WINST
Kassa's in een supermarkt in Beverwijk, 1977
Vraagtype 3: brutowinst en btw
Brutowinst = verkoopprijs - inkoopprijs, beide exclusief btw.
Inclusief btw: x 1,21. Exclusief btw: delen door 1,21.
Alle leerwegen. Image credit: Bert Verhoeff (Anefo) / Wikimedia Commons, CC0
Een jas kost 121 euro inclusief 21% btw. Wat is de prijs exclusief btw?
95,59 euro
100 euro
142 euro
146,41 euro
121 : 1,21 = 100. Verwachte fouten: 21% van 121 eraf (95,59), 21 euro erbij (142) of nog eens x 1,21 (146,41).
Shirt: inkoopprijs 12 euro, verkoopprijs 20 euro, beide exclusief btw. Brutowinst?
8 euro
32 euro
12 euro
20 euro
20 - 12 = 8. Verwachte fout: optellen (32) of de inkoopprijs of verkoopprijs overnemen.
PRODUCENT · KOSTEN EN WINST
Een kleermaker naait een leren tas, 2024
Vraagtype 4: marktaandeel en productie
Marktaandeel = afzet bedrijf : totale afzet bedrijfstak x 100%.
Kapitaalintensief: veel machines. Arbeidsintensief: veel mensen.
Alleen KB en GL/TL. Image credit: Wuzyprod / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
In een stad worden 8.000 pizza's per maand verkocht, 2.000 bij Roma. Marktaandeel?
4%
75%
25%
400%
2.000 : 8.000 = 0,25 dus 25%. Verwachte fouten: andersom delen (400%, 4%) of 100% min het aandeel (75%).
Een naaiatelier werkt met veel naaisters en weinig machines. Welke productie?
Kapitaalintensief
Arbeidsintensief
Een productie met alleen vaste kosten
Een productie zonder toegevoegde waarde
Veel mensen en weinig machines is arbeidsintensief.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Omzet, winst en verlies
Kosten per product en afschrijving
Brutowinst en btw
Marktaandeel en productie
Deze slide heeft geen instructies
PRODUCENT · KOSTEN EN WINST
Tips voor op het examen
Winst = opbrengsten min kosten. Is het antwoord negatief, dan is het verlies.
Btw erbij: x 1,21. Btw eraf: delen door 1,21.
Kosten per product: eerst vast en variabel samen, dan delen door de productie.
Reken twee keer en kijk of de uitkomst logisch is.
Deze slide heeft geen instructies