Kosten, omzet en winst (Economie vmbo), les 2: Examentraining

PRODUCENT · KOSTEN EN WINST

Examentraining

Kosten, omzet en winst: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met casusvragen over omzet en winst, kosten per product, afschrijving, brutowinst, btw en marktaandeel.

Onderdelen in deze les

PRODUCENT · KOSTEN EN WINST

Examentraining

Kosten, omzet en winst: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Prolete / Wikimedia Commons, CC0

PRODUCENT · KOSTEN EN WINST

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over omzet, kosten, winst en btw beantwoorden met een casus.

Deze slide heeft geen instructies

PRODUCENT · KOSTEN EN WINST

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: de casus. Welk bedrijf is het en welke gegevens staan erbij?

  • 2. Zoek: wat wordt gevraagd: omzet, kosten, winst, btw of marktaandeel.

  • 3. Reken: zet de som op papier, reken stap voor stap en controleer twee keer.

  • 4. Kies: het antwoord en kijk of het bedrag logisch is.

Deze slide heeft geen instructies

PRODUCENT · KOSTEN EN WINST

Vraagtype 1: omzet, winst en verlies

  • Omzet = afzet x verkoopprijs exclusief btw. Afzet = omzet : verkoopprijs.

  • Winst = opbrengsten - kosten. Zijn de kosten hoger, dan is er verlies.

Alle leerwegen.

Kapper: omzet 4.200 euro, kosten 4.500 euro. Winst of verlies?

A

300 euro winst

B

8.700 euro winst

C

300 euro verlies

D

4.200 euro verlies

4.200 - 4.500 = -300, dus verlies. Verwachte fouten: het minteken vergeten (300 winst) of optellen (8.700).

Snackbar: omzet 900 euro, kroket 1,50 euro per stuk exclusief btw. Afzet?

A

1.350 kroketten

B

60 kroketten

C

600 kroketten

D

150 kroketten

900 : 1,50 = 600; controle 600 x 1,50 = 900. Verwachte fout: vermenigvuldigen (1.350).

PRODUCENT · KOSTEN EN WINST

Bakkerij Riedstra in Veendam, 2019

Vraagtype 2: kosten per product en afschrijving

  • Kosten per product = (vaste kosten + variabele kosten) : productie.

  • Afschrijvingskosten per jaar = aanschafprijs : aantal jaren dat het meegaat.

Alleen KB en GL/TL. Image credit: Donald Trung Quoc Don / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Vast 1.000 euro, variabel 3 euro per knipbeurt. Bij 250 knipbeurten: kosten per knipbeurt?

A

7 euro

B

3 euro

C

4 euro

D

1.750 euro

250 x 3 = 750; 1.000 + 750 = 1.750; 1.750 : 250 = 7. Verwachte fouten: alleen de variabele kosten (3), alleen de vaste kosten per stuk (4) of de totale kosten (1.750).

Een frituurpan van 2.500 euro gaat 5 jaar mee. Afschrijvingskosten per jaar?

A

250 euro

B

2.500 euro

C

12.500 euro

D

500 euro

2.500 : 5 = 500. Verwachte fouten: delen door 10 (250), niet delen (2.500) of vermenigvuldigen (12.500).

PRODUCENT · KOSTEN EN WINST

Kassa's in een supermarkt in Beverwijk, 1977

Vraagtype 3: brutowinst en btw

  • Brutowinst = verkoopprijs - inkoopprijs, beide exclusief btw.

  • Inclusief btw: x 1,21. Exclusief btw: delen door 1,21.

Alle leerwegen. Image credit: Bert Verhoeff (Anefo) / Wikimedia Commons, CC0

Een jas kost 121 euro inclusief 21% btw. Wat is de prijs exclusief btw?

A

95,59 euro

B

100 euro

C

142 euro

D

146,41 euro

121 : 1,21 = 100. Verwachte fouten: 21% van 121 eraf (95,59), 21 euro erbij (142) of nog eens x 1,21 (146,41).

Shirt: inkoopprijs 12 euro, verkoopprijs 20 euro, beide exclusief btw. Brutowinst?

A

8 euro

B

32 euro

C

12 euro

D

20 euro

20 - 12 = 8. Verwachte fout: optellen (32) of de inkoopprijs of verkoopprijs overnemen.

PRODUCENT · KOSTEN EN WINST

Een kleermaker naait een leren tas, 2024

Vraagtype 4: marktaandeel en productie

  • Marktaandeel = afzet bedrijf : totale afzet bedrijfstak x 100%.

  • Kapitaalintensief: veel machines. Arbeidsintensief: veel mensen.

Alleen KB en GL/TL. Image credit: Wuzyprod / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

In een stad worden 8.000 pizza's per maand verkocht, 2.000 bij Roma. Marktaandeel?

A

4%

B

75%

C

25%

D

400%

2.000 : 8.000 = 0,25 dus 25%. Verwachte fouten: andersom delen (400%, 4%) of 100% min het aandeel (75%).

Een naaiatelier werkt met veel naaisters en weinig machines. Welke productie?

A

Kapitaalintensief

B

Arbeidsintensief

C

Een productie met alleen vaste kosten

D

Een productie zonder toegevoegde waarde

Veel mensen en weinig machines is arbeidsintensief.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Omzet, winst en verlies

2

Kosten per product en afschrijving

3

Brutowinst en btw

4

Marktaandeel en productie

Deze slide heeft geen instructies

PRODUCENT · KOSTEN EN WINST

Tips voor op het examen

  • Winst = opbrengsten min kosten. Is het antwoord negatief, dan is het verlies.

  • Btw erbij: x 1,21. Btw eraf: delen door 1,21.

  • Kosten per product: eerst vast en variabel samen, dan delen door de productie.

  • Reken twee keer en kijk of de uitkomst logisch is.

Deze slide heeft geen instructies