vwo wiskunde A examentraining

Een aantal n
wat is niet waar?
A
CE wiskunde A heeft 20 vragen
B
CE wiskunde A heeft 21 vragen
C
totaal zijn er 75 punten te behalen
D
de onderzoeksvraag is 7 punten waard
1 / 29
volgende
Slide 1: Quizvraag
WiskundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Een aantal n
wat is niet waar?
A
CE wiskunde A heeft 20 vragen
B
CE wiskunde A heeft 21 vragen
C
totaal zijn er 75 punten te behalen
D
de onderzoeksvraag is 7 punten waard

Slide 1 - Quizvraag

Een aantal neemt met 0,23% per dag af. Wat is de groeifactor per dag?
A
0,23
B
0,9977
C
daar heb ik mijn GR voor nodig
D
1,0023

Slide 2 - Quizvraag

Op de grafiek van
wordt eerst de verschuiving (4, -5) toegepast en vervolgens de herschaling in verticale richting met factor 2. Stel de formule op van de beeldgrafiek.
A
y=6(x+4)210
B
y=6(x+4)25
C
y=6(x4)25
D
y=6(x4)210

Slide 3 - Quizvraag

wat mag je woensdagmiddag 20 mei mee de examenzaal in ?
A
pen, potlood, tipp-ex, eten&drinken
B
pen, potlood, GR, NL woordenboek, geo, rekenmachine, eten&drinken
C
pennen (blauw, rood), potlood, GR, NL-woordenboek, geo, eten&drinken
D
pennen (blauw, zwart), potlood, GR, NL woordenboek, geo, eten& drinken

Slide 4 - Quizvraag

wat moet je woensdagmiddag 20 mei behalve je GR, meenemen ?
A
geodriehoek
B
geodriehoek
C
geodriehoek
D
geodriehoek

Slide 5 - Quizvraag

Zet de getallen op de juiste plaats in de formule:

                       y=          +          sin(          (x-         ))

0,25pi
2
3
1

Slide 6 - Sleepvraag

Afronden op een tiental
783 ≈
A
700
B
780
C
790
D
800

Slide 7 - Quizvraag

afnemend dalend
toenemend dalend
toenemend stijgend
afnemend stijgend

Slide 8 - Sleepvraag

Wat als je te laat bent bij je examen?
A
te laat is te laat, ook al ben je er om 13.31 uur je mag niet meer deelnemen
B
Je hebt nog een half uur om binnen te komen, maar de gemiste tijd mag je niet meer inhalen
C
als je ouders naar school bellen mag je altijd nog naar binnen

Slide 9 - Quizvraag

Permutaties (nPr)
Combinaties (nCr)
Uit een klas worden 6 leerlingen gekozen om een volleybalteam te vormen
Bij een verloting zijn drie prijzen te winnen: een tablet, een grafische rekenmachine en een taart
In de klas worden 5 kaartjes verloot voor een toneelvoorstelling
Een vereniging kiest uit haar leden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester.
Van de top 10 van vorige week stel je je eigen top 3 samen.

Slide 10 - Sleepvraag

over de examenstand
8 + pijltje + AC/ON

wat is NIET waar
A
met SHIFT MENU ga je naar set-up
B
zet Derivative op 'on'
C
zet Sigma-display op 'on'
D
zet Angle op 'grad'

Slide 11 - Quizvraag

Verschuiving 3 omlaag.
A
y=3x43
B
y=3x4+3
C
y=3(x3)4
D
het goede antwoord staat er niet tussen

Slide 12 - Quizvraag

bij A=1 hoort C=30 en bij A=10 hoort C=35.
er is sprake van een lineair verband.
stel de formule van C op:
A
r.c.=1013530
B
r.c.=3530101
C
r.c.=1103530
D
r.c.=3530110

Slide 13 - Quizvraag

wat betreft doorgestreepte antwoorden:
wat is waar
A
als een doorgestreept antwoord goed is, wordt het alsnog meegerekend
B
als er twee antwoorden zijn, wordt alleen het juiste antwoord meegerekend
C
als er twee antwoorden zijn, wordt alleen het eerste antwoord meegerekend
D
het hangt van de examinator af of een doorgestreept antwoord wordt meegerekend

Slide 14 - Quizvraag

welke waarde?

Slide 15 - Open vraag

een snoer met 12 lampjes die alle kleuren van de regenboog (7) kunnen hebben. Hoeveel verschillende snoeren zijn er?
A
12nCr7
B
12nPr7
C
712
D
127

Slide 16 - Quizvraag

Is hier sprake van een directe of een recursieve formule?
A
directe formule
B
recursieve formule
C
geen van beide

Slide 17 - Quizvraag

je vraagt om een snijpunt, je GR zegt
"not found"
wat moet je doen?
A
met de min- of plus knop resp. uit- of inzoomen
B
vinger opsteken en vragen of iemand je kan helpen
C
je kunt niks doen want je GR is kapot
D
invoer controleren en je V-Window aanpassen

Slide 18 - Quizvraag

bij A=1 hoort C=30 en bij A=10 hoort C=35.
er is sprake van een exponentieel verband.
stel de formule van C op:
A
g=1013530
B
g=3530
C
g=3035
D
g=(3035)91

Slide 19 - Quizvraag

De globale grafiek past bij dit toenamediagram
A
Waar
B
Niet waar

Slide 20 - Quizvraag

je wilt in menu graph een formule invoeren maar er komt een T i.p.v. x op je scherm. wat moet je doen?
A
je GR op de grond smijten
B
alles wissen, exit en Type (F3) terugveranderen in Y=
C
maakt niks uit, gebruik gewoon de T i.p.v. x
D
GR nogmaals in de examenstand zetten.

Slide 21 - Quizvraag

amplitude
evenwichtsstand
maximum
minimum 
periode

Slide 22 - Sleepvraag

De globale grafiek past bij dit toenamediagram
A
Waar
B
niet waar

Slide 23 - Quizvraag

Is deze tabel lineair?
A
ja
B
nee

Slide 24 - Quizvraag

Wie heeft het hoogste gemiddelde voor wiskunde A?
A
julian
B
kim
C
mikis
D
marloes

Slide 25 - Quizvraag

is een:
A
Machtsverband
B
Recht evenredig verband
C
Omgekeerd evenredig verband
D
Exponentieel verband

Slide 26 - Quizvraag

Geef de directe formule van de korte zijde
A
K(n)=0,3(n1)+1
B
K(n)=20,3n1
C
K(n)=2n+0,3
D
K(n)=2n0,3

Slide 27 - Quizvraag

welk cijfer denk je te gaan halen voor het wiskunde CE?
-110

Slide 28 - Poll

wat ga je dinsdag 19 mei doen?
A
helemaal niks
B
de hele dag wiskunde
C
slapen
D
alles behalve wiskunde

Slide 29 - Quizvraag