H5.7 zinsontleding bwb

Wat is de juiste volgorde bij zinsontleden?
A
pv-o-zinsdeelstrepen-gezegde-lv-mv
B
pv-zinsdeelstrepen-gezegde-o-lv-mv
C
pv-zinsdeelstrepen-o-gezegde-lv-mv
D
pv-o-gezegde-zinsdeelstrepen-lv-mv
1 / 19
volgende
Slide 1: Quizvraag
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Wat is de juiste volgorde bij zinsontleden?
A
pv-o-zinsdeelstrepen-gezegde-lv-mv
B
pv-zinsdeelstrepen-gezegde-o-lv-mv
C
pv-zinsdeelstrepen-o-gezegde-lv-mv
D
pv-o-gezegde-zinsdeelstrepen-lv-mv

Slide 1 - Quizvraag

volgorde zinsontleding
zie blz 152 van je boek

Slide 2 - Tekstslide

Niemand is tevreden met de tweede plek bij een kampioenschap. Wat is het gezegde?
A
wg = is
B
wg = is tevreden
C
ng = is
D
ng = is tevreden

Slide 3 - Quizvraag

Niemand is tevreden met de tweede plek bij een kampioenschap. Wat is het onderwerp?
A
Niemand
B
met de tweede plek
C
kampioenschap
D
een kampioenschap

Slide 4 - Quizvraag

Niemand is tevreden met de tweede plek bij een kampioenschap. Wat is 'met de tweede plek'?
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 5 - Quizvraag

Niemand is tevreden met de tweede plek bij een kampioenschap. Wat is 'bij een kampioenschap'?
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 6 - Quizvraag

Veel mensen vinden wonen in de stad veel te druk en duur. Wat is het gezegde?
A
wg=vinden
B
wg=vinden te duur
C
ng=te duur
D
ng=vinden te duur

Slide 7 - Quizvraag

Veel mensen vinden wonen in de stad veel te druk en duur. Wat is het onderwerp?
A
mensen
B
veel mensen
C
de stad
D
wonen in de stad

Slide 8 - Quizvraag

Veel mensen vinden wonen in de stad veel te druk en duur. Wat is het lijdend voorwerp?
A
wonen
B
wonen in de stad
C
veel te druk en te duur
D
wonen in de stad veel te druk en te duur

Slide 9 - Quizvraag

Hoe vind je het lijdend voorwerp?
A
wie/wat + gezegde
B
wie/wat + gezegde + onderwerp
C
wie/wat + pv + onderwerp?
D
wie doet de 'handeling'?

Slide 10 - Quizvraag

Hoe vind je het lijdend voorwerp?
A
aan wie/voor wie+gezegde+ow
B
aan wie/voor wie+gezegde+ow+lv
C
aan wie/voor wie+wg+ow
D
aan wie/voor wie+wg+ow+lv

Slide 11 - Quizvraag

Slide 12 - Tekstslide

De bewoners van Bemmel waren al meerdere malen met klachten op het bureau gekomen. Wat is het gezegde?
A
wg = waren
B
wg = waren gekomen
C
ng = waren met klachten
D
ng = waren met klachten gekomen

Slide 13 - Quizvraag

De bewoners van Bemmel waren al meerdere malen met klachten op het bureau gekomen. Wat is het onderwerp?
A
De bewoners
B
De bewoners van Bemmel
C
klachten
D
het bureau

Slide 14 - Quizvraag

De bewoners van Bemmel waren al meerdere malen met klachten op het bureau gekomen. Wat is het lv?
A
van Bemmel
B
geen
C
met klachten
D
op het bureau

Slide 15 - Quizvraag

De bewoners van Bemmel waren al meerdere malen met klachten op het bureau gekomen. Wat is 'met klachten'?
A
lijdend voorwerp
B
meewerkend voorwerp
C
bijwoordelijke bepaling
D
onderwerp samengestelde zin

Slide 16 - Quizvraag

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide