WERELD · STROMEN
Examentraining
Handel, investeringen, migratie: zo pak je examenvragen aan
WERELD · STROMEN
Examentraining
Handel, investeringen, migratie: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Acstar / Wikimedia Commons, CC0
WERELD · STROMEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over handel, investeringen en migratie beantwoorden door stroomkaarten te lezen, relaties tussen gebieden te leggen en gebieden in mondiale netwerken te plaatsen.
Deze slide heeft geen instructies
WERELD · STROMEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is het vraagwoord? Beschrijf, verklaar, leg uit of beargumenteer.
2. Zoek: welke stroom (goederen, geld of mensen), van welk gebied naar welk gebied?
3. Verbind: gebruik een begrip uit de les: ruilvoet, MNO, pushfactor, netwerk, selectieve migratie.
4. Schrijf: een ketting met doordat en daardoor, en noem gegevens uit de bron.
Deze slide heeft geen instructies
Containerkranen in de diepzeehaven Yangshan, haven van Shanghai (China), 2013
WERELD · STROMEN
Vraagtype 1: een stroomkaart lezen
Je krijgt een kaart met pijlen van handel, investeringen of migranten.
Beschrijf eerst het patroon: waar zijn de dikste pijlen en in welke richting lopen ze?
Gebruik de legenda: dikte is omvang, kleur is vaak het soort stroom.
Noem in je antwoord altijd het herkomst- en het bestemmingsgebied.
Vaardigheid: kaarten lezen en analyseren, patronen en correlaties. Oefen met een stroomkaart uit de atlas. Veelgemaakte fout: een losse pijl beschrijven in plaats van het patroon, of vergeten de richting te noemen. Image credit: Acstar / Wikimedia Commons, CC0
De dikste handelspijlen lopen tussen VS, EU en Oost-Azië. Wat laat dit zien?
Handel gaat vooral van periferie naar centrum
Handel gaat vooral tussen de centrumgebieden
Handel gaat vooral tussen buurlanden in Afrika
Handel gaat vooral van centrum naar periferie
Goed: de grootste stromen liggen binnen en tussen de drie centrumgebieden. Wie 'periferie naar centrum' kiest, denkt aan grondstoffen, maar die stromen zijn kleiner dan de handel tussen de centra.
Een kaart toont dunne pijlen van en naar Afrika. Verklaar dit.
Goed: veel Afrikaanse landen hebben weinig koopkracht en weinig industrie, ze exporteren vooral grondstoffen met een lage waarde, en hebben minder goede infrastructuur en havens; daardoor is hun aandeel in de wereldhandel klein. Verwachte fout: alleen 'Afrika is arm' zonder uit te leggen waarom dat tot weinig handel leidt.
Arbeidsmigranten uit Azië wachten op de bus in de wijk West Bay, Doha (Qatar), 2014
WERELD · STROMEN
Vraagtype 2: migratie verklaren
Je krijgt een bron over een migratiestroom en moet uitleggen waarom mensen vertrekken.
Noem een pushfactor in het herkomstgebied en een pullfactor in het bestemmingsgebied.
Denk ook aan beleid (vergunningen, open grenzen) en aan netwerken van eerdere migranten.
Is het politieke of economische migratie? Dat bepaalt vaak de bestemming.
Verklarende vraag met oorzaken in twee gebieden plus een omstandigheid (beleid, netwerk). Veelgemaakte fout: twee pullfactoren noemen als om een push- en een pullfactor wordt gevraagd, of een pushfactor formuleren als kenmerk van het bestemmingsland. Image credit: Alex Sergeev / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Veel Nepalezen werken als bouwvakker in Qatar. Welke pullfactor past hierbij?
Weinig werk en lage lonen in Nepal
Een aardbeving die huizen in Nepal verwoest
Familie die in Nepal achterblijft
Veel bouwwerk met hogere lonen in Qatar
Goed: een pullfactor ligt in het bestemmingsgebied. De eerste twee afleiders zijn pushfactoren in Nepal. Het achterblijven van familie verklaart de migratie niet.
Polen werken vaak in dezelfde Nederlandse regio. Verklaar dit.
Goed: eerdere migranten helpen nieuwe migranten aan werk en woonruimte via een migratienetwerk; uitzendbureaus en werkgevers in bijvoorbeeld de tuinbouw of logistiek werven in die regio; als EU-burgers hebben Polen geen werkvergunning nodig. Daardoor komen ze op dezelfde plekken terecht. Verwachte fout: alleen een pullfactor (hoog loon) noemen, die niet verklaart waarom het juist die regio is.
Containerschip COSCO England van de Chinese rederij COSCO vaart de haven van Hamburg binnen, 2014
WERELD · STROMEN
Vraagtype 3: relaties tussen gebieden
Je legt uit hoe twee gebieden via handel, investeringen of migratie met elkaar verbonden zijn.
Wat levert gebied A aan gebied B, en wat komt er terug? Goederen, geld, arbeid of kennis?
Gebruik de ruilvoet als het gaat om wie meer profiteert van de handel.
Plaats beide gebieden in het wereldsysteem: centrum, semiperiferie of periferie.
Werkwijzen uit de syllabus: relaties leggen tussen gebieden en gebieden plaatsen in mondiale netwerken. Laat leerlingen een pijlenschema tekenen met twee gebieden en per pijl wat er stroomt. Veelgemaakte fout: alleen de stroom één kant op beschrijven. Image credit: Buonasera / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Land X exporteert koffie en importeert machines. Waarom profiteert X minder?
Machines worden steeds goedkoper dan koffie
Het land betaalt geen heffing op koffie-export
Koffie wordt steeds duurder dan machines
Koffieprijzen dalen vaak ten opzichte van machines
Goed: de ruilvoet van grondstofexporteurs is vaak ongunstig, omdat de prijzen van grondstoffen minder stijgen en sterk schommelen. De eerste en laatste afleider beschrijven juist een gunstige ruilvoet.
Leg uit waarom een Chinese rederij een Europese haven koopt.
Goed: China exporteert veel goederen naar Europa; met een eigen haven heeft de Chinese onderneming een vaste toegang tot de Europese markt en kan ze de doorvoer van haar schepen regelen; zo wordt China een steeds grotere speler in handels- en investeringsstromen. Verwachte fout: alleen 'om geld te verdienen' zonder de relatie met de handel tussen China en Europa.
Grenshek tussen Tijuana (Mexico) en San Diego (Verenigde Staten), met kruizen voor omgekomen migranten, 2006
WERELD · STROMEN
Vraagtype 4: beleid beoordelen
Je krijgt een maatregel, zoals een importheffing of een migratieregel, en geeft je oordeel.
Noem een argument voor en een argument tegen, en voor welke groep het geldt.
Geef een voorbehoud: onder welke voorwaarde klopt je oordeel?
Kijk bij een bron naar de zender: wie zegt het en met welk doel?
Waarderende vraag: oordeel, norm, waarde en voorbehoud. Veelgemaakte fout: een mening geven zonder argument uit de bron, of alleen de gevolgen voor één groep noemen. Image credit: Tomascastelazo / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Een land heft 25 procent op geïmporteerd staal. Wie profiteert?
Autofabrikanten die staal kopen
Staalfabrieken in het eigen land
Staalexporteurs in het buitenland
Consumenten die een auto kopen
Goed: binnenlandse staalproducenten krijgen minder buitenlandse concurrentie. Bedrijven en consumenten die staal of producten van staal kopen, betalen juist meer. Buitenlandse exporteurs verkopen minder.
Geef een voordeel en een nadeel van vrij werken binnen de EU.
Goed: voordeel voor het bestemmingsland is dat werkgevers aan personeel komen (bijvoorbeeld in tuinbouw, bouw en logistiek), en voor migranten een hoger loon; nadeel is concurrentie op de arbeidsmarkt of druk op huisvesting in het bestemmingsland, of het vertrek van jonge werkers uit het herkomstland (selectieve migratie). Verwachte fout: voordeel en nadeel voor verschillende groepen door elkaar zonder te zeggen voor wie.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Een stroomkaart lezen
Migratie verklaren
Relaties tussen gebieden
Beleid beoordelen
Deze slide heeft geen instructies
WERELD · STROMEN
Tips voor op het examen
Noem bij elke stroom van waar naar waar hij loopt.
Een pushfactor hoort bij het herkomstgebied, een pullfactor bij de bestemming.
Vergeet het beleid van staten niet: vergunningen en open grenzen sturen migratie.
Bij handel en winst: denk aan de ruilvoet, niet aan de handelsbalans.
Bij een oordeel: argument voor, argument tegen, en een voorbehoud.
Deze slide heeft geen instructies