Bedrijfseconomie P2 Les 5 - kostprijscalculatie/ standaardkostprijs

Bedrijfseconomie 
Hoofdstuk 4 - Berekenen commerciële prijs
Les 5
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
BedrijfseconomieMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Bedrijfseconomie 
Hoofdstuk 4 - Berekenen commerciële prijs
Les 5

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Netto inkoopprijs 
+ Brutowinstmarge/ Opslag 
Netto verkoopprijs 
+ BTW  9%/ 21% 
Consumentenprijs 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. Bruto inkoopprijs
- BTW 9%/21%            
Netto inkoopprijs 
2. Netto inkoopprijs 
+ Brutowinstmarge/ Opslag 
Netto verkoopprijs 
3. Netto verkoopprijs 
+ BTW  9%/ 21% 
Consumentenprijs 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Directe en indirecte kosten
  • Directe kosten: Staan direct met het product in verband
  • Indirecte kosten: Kosten die te maken hebben met de onderneming in het algemeen.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Directe kosten 
Indirecte kosten
Energiekosten
Productiekosten
Inkoopkosten
Administratie kosten
Huurkosten 

Slide 5 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Verschil vaste- en
variabele kosten

Slide 6 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Vaste- en variabele kosten
  • Vaste kosten (overhead kosten): Kosten van de onderneming in het algemeen. Zijn onveranderlijk en staan los van het aantal geproduceerde producten. bv. Huurkosten, personeelskosten of afschrijvingskosten
  • Variabele kosten: Staan direct met het product in verband. Afhankelijk van het aantal producten dat je produceert. 
bv. grondstofkosten

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Benamingen kosten
  • Vaste kosten - Constante kosten - Indirecte kosten:
  Kosten van de onderneming in het algemeen. Zijn onveranderlijk en staan los van het aantal geproduceerde producten. 
  • Variabele kosten - Directe kosten: 
Staan direct met het product in verband. Afhankelijk van het aantal producten dat je produceert.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Betekenis standaard kostprijs
Hoeveel kost het om een product te kunnen maken.
  • Als de standaardkostprijs € 7,- is, kost het dus € 7,- per product om het te produceren.
  • Deze standaard kostprijs van € 7,- zou je kunnen vergelijken met de netto inkoopprijs, als je het product niet zelf had gemaakt, maar ingekocht had.
  • Bovenop deze standaard kostprijs komt een (bruto) winst gezet en vervolgens verkocht.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen: standaard kostprijs
  • Standaard kostprijs: de prijs die het kost om een product te maken.
  • Constante kosten (C): Kosten die constant blijven als de productie wijzigt.
  • Variabele kosten (V): Kosten die veranderen als de productie wijzigt.
  • Normale productie(N): gemiddelde productie die normaal gehaald wordt
  • Werkelijke productie(W): werkelijk verwachte productie komende periode.
  • Variabele kosten per product zijn vaak al bekend (V/W)
  • Standaard kostprijs: = C/N + V/W


Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld Standaardkostprijs

Contante kosten (C) zijn bepaald op € 400.000,-
Normale productie(N) is berekend op 80.000 stuks.
De variabel kosten per stuk (per product) bedragen € 2,-. Dit is dus al V/W!
Standaard kostprijs = C/N + V/W = 
€400.000 / 80.000 + 2,- = 5,- + 2,- = € 7,-


Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

MAKEN
OPDRACHT  4.28 + 4.29
Maatwerk Vista College: 
economie & marketing
BLZ 115 - 116

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Overcapaciteit
Rationele capaciteit: bedrijfseconomisch noodzakelijke (verstandige) capaciteit.
Overcapaciteit: Alle capaciteit die een onderneming boven de normale bezetting heeft. 


Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rationele Overcapaciteit
5 redenen waarom een bedrijf verantwoorde overcapaciteit heeft.
  • 1. seizoensinvloeden 
  • 2. reserve vanwege onderhoud en reparatie
  • 3. ondeelbaarheid
  • 4. Aanloopperiode 
  • 5. Conjunctuur

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Irrationele Overcapaciteit
Alles tussen de rationele capaciteit en de maximale of technische capaciteit.

De constante kosten van de irrationele overcapaciteit kun je niet doorbereken aan de klant.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 16 - Tekstslide

Ik zou na deze dia stoppen. Denk dat de rest onnodig diep erop ingaat.
Break - even omzet en afzet 
Break-even: Een onderneming heeft precies evenveel kosten als opbrengsten.


Ze hebben geen winst en geen verlies

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Break- even afzet & capaciteit
Break-even-afzet=             CM             
                              Gem VP  - 
                          

CM = constante kosten van de maximale capaciteit
Gem VP = De vkp/ bij meerdere vkp's neem je het gemiddelde
V = Variabele kosten
W = Werkelijke productie

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Break- even afzet & capaciteit
Gem VP = De verkoopprijs/ bij meerdere verkoopprijzen neem je het gemiddelde

Gem VP = (vkp 1 x afzet 1) + (vkp 2 x afzet 2) etc.
                                   afzet 1 + afzet 2 etc
 

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Break- even afzet & capaciteit
Break-even-OMZET = Break - even afzet x Gem vp
                          

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verkoopresultaat
Opbrengst verkopen (omzet)                   Afzet x gem VP
- standaardkosten                             Afzet x  standaardkostprijs
Verkoopresultaat 

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

MAKEN
OPDRACHT  4.30 - 4.38
Maatwerk Vista College: 
economie & marketing
BLZ 122 - 132

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies