Break-even en winstverdeling (Bedrijfseconomie vwo), les 1: Uitleg

Gevel van ijsfabriek De Noordpool, Breda (2019) (foto: G.Lanting, CC BY 4.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

Break-even en winstverdeling

Examenstof bedrijfseconomie vwo

1 / 22
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Uitleg over break-even, resultaatverdeling en cashflow voor het vwo-examen bedrijfseconomie: bij Sneeuwwit B.V. leer je break-even afzet en omzet berekenen en aflezen, het resultaat verdelen over belasting, dividend en reservering en het effect van afschrijving en waardering; met 6 checks.

Onderdelen in deze les

Gevel van ijsfabriek De Noordpool, Breda (2019) (foto: G.Lanting, CC BY 4.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

Break-even en winstverdeling

Examenstof bedrijfseconomie vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: F2 30.4-30.6. Image credit: G.Lanting / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

Wat ga je kunnen?

Ik kan de break-even afzet en omzet berekenen en uitleggen, het resultaat verdelen en uitleggen hoe afschrijving en waardering het resultaat en de cashflow beïnvloeden.

Deze slide heeft geen instructies

Wat gebeurt er aan het eind van het jaar met het resultaat van een bv?

Verwachte woorden: belasting, dividend, aandeelhouders, reserves, investeren, uitkeren. Gebruik de woorden als opstap: vandaag leer je ze in de juiste volgorde zetten. Syllabus 30.5. Vooraf komt break-even, daarna de verdeling van het resultaat.

Een ijshoorntje in een ijssalon, Sonoma, VS (2025)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

Break-even afzet

  • Sneeuwwit B.V. verkoopt bakken ijs voor € 8. Variabele kosten: € 3,20 per bak.

  • Constante kosten: € 12.000 per maand.

  • Dekkingsbijdrage per product = verkoopprijs min variabele kosten = € 4,80.

  • Break-even afzet = totale constante kosten / dekkingsbijdrage per product = 2.500 bakken.

Syllabus 30.4.1 (break-even afzet op basis van de dekkingsbijdrage). De formule staat in Bijlage 4 en wordt in de opgave niet gegeven. Uitwerking: 8 min 3,20 = 4,80; 12.000 / 4,80 = 2.500; controle 2.500 x 4,80 = 12.000. Bij 2.500 bakken is het resultaat nul, daaronder verlies, daarboven winst. Veelgemaakte fout: delen door de verkoopprijs (1.500 bakken). Eenheid van de afzet: bakken (stuks), niet euro's. Image credit: Missvain / Wikimedia Commons, CC0

IJssalon in Venetië (2009) (foto: Jorge Royan, CC BY-SA 3.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

Break-even omzet

  • De dekkingsbijdrage is 60% van de omzet: € 4,80 / € 8. De perunage is percentage / 100 = 0,60.

  • Break-even omzet = totale constante kosten / dekkingsbijdrage in perunage = 12.000 / 0,60 = € 20.000.

  • Controle: 2.500 bakken maal € 8 = € 20.000. Afzet in stuks, omzet in euro's.

  • Van elke euro omzet blijft 60 cent over na de variabele kosten, voor de constante kosten.

Syllabus 30.4.1 (in procenten van de omzet). Perunage = percentage / 100 en break-even omzet = constante kosten / dekkingsbijdrage in perunage staan in Bijlage 4. Uitwerking: 4,80 / 8 = 0,60; 12.000 / 0,60 = 20.000. Veelgemaakte fouten: delen door 60 in plaats van 0,60 (uitkomst 200) of de perunage van de variabele kosten gebruiken (0,40 geeft 30.000). Image credit: Jorge Royan / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Break-evengrafiek van Sneeuwwit B.V.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

De break-evengrafiek

  • Opbrengstenlijn: € 8 maal afzet. Kostenlijn: begint bij € 12.000 en stijgt € 3,20 per bak.

  • Het snijpunt is het break-evenpunt: 2.500 bakken en € 20.000 omzet.

  • Resultaat = dekkingsbijdrage maal afzet min constante kosten. Bij 3.000 bakken: € 2.400.

  • Draai de formule om voor een gewenst resultaat: (constante kosten + resultaat) / dekkingsbijdrage.

Syllabus 30.4.2 en 30.4.3 (totale opbrengsten, totale kosten en totaal resultaat grafisch opstellen; de grafische weergave toepassen en uitleggen). De totale opbrengsten beginnen in de oorsprong, de totale kosten bij de constante kosten. Het totale resultaat is de verticale afstand tussen de lijnen: negatief links van het break-evenpunt (bij afzet nul min 12.000), nul in het snijpunt, positief rechts. Narekenen: 3.000 x 4,80 = 14.400 min 12.000 = 2.400. Voor een gewenst resultaat van 3.000: (12.000 + 3.000) / 4,80 = 3.125 bakken. Dit volgt uit de resultaatformule, het is geen aparte Bijlage-4-formule. Veelgemaakte fout: de kostenlijn in de oorsprong laten beginnen. Image credit: Eigen figuur

Fenne verkoopt taarten voor € 24, variabele kosten € 9 per taart, constante kosten € 4.500 per maand. Break-even afzet?

A

188 taarten

B

500 taarten

C

300 taarten

D

136 taarten

Syllabus 30.4.1. Dekkingsbijdrage 24 min 9 = 15; 4.500 / 15 = 300; controle 300 x 15 = 4.500. Afleiders: delen door de prijs (4.500 / 24 = 188), delen door de variabele kosten (500), delen door prijs plus variabele kosten (136).

De dekkingsbijdrage is 40% van de omzet, de constante kosten zijn € 9.000. Break-even omzet?

A

€ 22.500

B

€ 3.600

C

€ 225

D

€ 15.000

Syllabus 30.4.1. Perunage 0,40; 9.000 / 0,40 = 22.500. Afleiders: vermenigvuldigen (3.600), delen door 40 in plaats van 0,40 (225), de perunage van de variabele kosten gebruiken: 9.000 / 0,60 = 15.000.

Voormalig kantoor van de Belastingdienst, Groningen (2013) (foto: Wutsje, CC BY-SA 3.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

Resultaat voor belasting

  • Sneeuwwit B.V.: resultaat uit de gewone bedrijfsactiviteiten (omzet min bedrijfskosten): € 410.000.

  • Financieringsresultaat: interestopbrengsten min interestkosten: € 15.000 min € 65.000 = min € 50.000.

  • Incidenteel resultaat: eenmalig, zoals een boekwinst op een verkochte machine: € 40.000.

  • Samen: resultaat voor winstbelasting = 410.000 min 50.000 plus 40.000 = € 400.000.

Syllabus 30.5 (begrippen resultaat voor winstbelasting, financieringsresultaat, incidenteel resultaat). "Resultaat uit de gewone bedrijfsactiviteiten" (omzet min bedrijfskosten, dus zonder interest en eenmalige posten) is een eigen omschrijving en geen syllabusbegrip; in examens heet het ook wel bedrijfsresultaat. Narekenen: 410.000 + (15.000 - 65.000) + 40.000 = 400.000. In het examen heet het resultaat "resultaat"; winst is een synoniem. Veelgemaakte fout: de interestkosten erbij optellen in plaats van aftrekken, of het incidentele resultaat vergeten. Image credit: Wutsje / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Aandeelbewijs van een Zweedse onderneming (1913)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

Belasting en dividend

  • Een bv of nv betaalt vennootschapsbelasting (stel: 25% = € 100.000): resultaat na winstbelasting € 300.000.

  • Eenmanszaak of vof: de eigenaar betaalt zelf inkomstenbelasting over het resultaat, de zaak niet.

  • Dividend gaat naar aandeelhouders: cash in geld, stock in nieuwe aandelen (het geld blijft in de bv).

  • Preferente aandelen krijgen eerst een vast percentage van de nominale waarde, daarna de gewone aandelen.

Syllabus 30.5 (vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting, dividend: stock, cash, gewone en preferente aandelen). Belastingtarieven veranderen: in een opgave staat het percentage altijd in de vraag. Hier is 25% een aanname voor het voorbeeld. Narekenen: 25% van 400.000 = 100.000; 400.000 min 100.000 = 300.000. Bij stock dividend krijgen aandeelhouders nieuwe aandelen in plaats van geld: er gaat geen geld de bv uit. Het vaste preferente dividend wordt vooraf bepaald; het dividend op gewone aandelen wordt vastgesteld op voorstel van het bestuur. Image credit: Aktiebolaget Svenska Kullagerfabriken / Wikimedia Commons, publiek domein

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

De resultaatverdeling opstellen

  • Resultaat voor winstbelasting € 400.000 min vennootschapsbelasting € 100.000 = resultaat na winstbelasting € 300.000.

  • Dividend: preferent 5% over € 500.000 nominaal = € 25.000, gewoon € 0,50 x 400.000 aandelen = € 200.000. Samen € 225.000.

  • Reservering: wat overblijft gaat naar de reserves: € 300.000 min € 225.000 = € 75.000. Dat blijft in de onderneming.

  • Dividendbelasting (hier 15%, gegeven) houdt de bv in op het dividend: 15% van € 225.000 = € 33.750.

  • De bv betaalt € 225.000 dividend uit, de aandeelhouders ontvangen € 191.250 netto. De reservering blijft € 75.000.

Syllabus 30.5 (resultaatverdeling opstellen, dividendbelasting, reservering). De percentages 25%, 5% en 15% zijn aannames voor dit voorbeeld; in een opgave worden ze gegeven. Narekenen: 5% x 500.000 = 25.000; 0,50 x 400.000 = 200.000; 300.000 - 225.000 = 75.000; 15% x 225.000 = 33.750; 225.000 - 33.750 = 191.250. De dividendbelasting wordt ingehouden op het (bruto) dividend en afgedragen aan de Belastingdienst: ze verandert de reservering niet. Veelgemaakte fouten: de dividendbelasting van de reservering aftrekken, of het preferente dividend vergeten.

Vul in

Het financieringsresultaat is het saldo van interestopbrengsten en interestkosten; een eenmalige boekwinst is een incidenteel resultaat van dat jaar.

financieringsresultaat
incidenteel resultaat
resultaat voor winstbelasting
dividend

Syllabus 30.5 (financieringsresultaat, incidenteel resultaat). Een interestsaldo is het financieringsresultaat; een eenmalige boekwinst is incidenteel.

Vlinder B.V. keert € 24.000 preferent en € 56.000 gewoon dividend uit. Dividendbelasting is 15% (gegeven). Wat ontvangen de aandeelhouders netto?

A

€ 12.000

B

€ 47.600

C

€ 92.000

D

€ 68.000

Syllabus 30.5. Totaal dividend 80.000; dividendbelasting 12.000; netto 68.000 (80.000 x 0,85). Afleiders: alleen de belasting (12.000), de preferente aandeelhouders vergeten (56.000 x 0,85 = 47.600), de belasting erbij tellen (92.000).

Rekeningboek van een broederschap, Brussel (1499-1516) (foto: Middach, CC BY-SA 4.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

Winst en cashflow

  • Resultaat (winst) is opbrengsten min kosten van een periode.

  • Cashflow = resultaat + afschrijvingen. Afschrijving is een kost waar geen uitgave tegenover staat.

  • Sneeuwwit: resultaat na winstbelasting € 300.000 + afschrijvingen € 120.000 = cashflow € 420.000.

  • Het resultaat telt een verkoop op rekening al mee, terwijl het geld er nog niet is.

Syllabus 30.6.1 (verschil tussen winst en cashflow uitleggen). De formule cashflow = resultaat + afschrijvingen staat in Bijlage 4. Narekenen: 300.000 + 120.000 = 420.000. Het resultaat volgt het periodetoerekeningstelsel (kosten en opbrengsten worden aan de periode toegerekend), de cashflow komt in de buurt van wat er aan geld binnenkomt. Veelgemaakte fout: denken dat een hoog resultaat automatisch veel geld op de bank betekent. Image credit: Middach / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Een oude machine om ijs te maken, Texas (2023) (foto: Larry D. Moore, CC BY 4.0)

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

Afschrijvingsperiode

  • Een machine van Sneeuwwit kost € 480.000 (restwaarde nul). Je schrijft per jaar een vast percentage van de aanschafwaarde af.

  • In 8 jaar: € 60.000 per jaar. In 10 jaar: € 48.000 per jaar.

  • Een langere periode geeft lagere kosten: het resultaat is € 12.000 per jaar hoger.

  • De cashflow blijft gelijk (belasting even buiten beschouwing): het geld is bij aanschaf al uitgegeven.

Syllabus 30.6.2 (het resultaat wordt beïnvloed door de gekozen afschrijvingsperiode). Narekenen: 480.000 / 8 = 60.000; 480.000 / 10 = 48.000; verschil 12.000. Cashflow = resultaat + afschrijvingen: 12.000 meer resultaat en 12.000 minder afschrijving geeft dezelfde cashflow. Met winstbelasting betaal je bij een hoger resultaat meer belasting; dat laten we hier buiten beschouwing. Veelgemaakte fout: denken dat een langere afschrijvingsperiode ook meer geld oplevert. Image credit: Larry D. Moore / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

Waarderingsgrondslag

  • Historische uitgaafprijs: afschrijven over de aanschafprijs (€ 480.000): € 60.000 per jaar.

  • Actuele waarde: afschrijven over wat de machine nu kost (€ 600.000): € 75.000 per jaar, resultaat € 15.000 lager.

  • Herwaardering zonder inhaalafschrijving: de boekwaarde stijgt naar de actuele waarde, eerdere afschrijving haal je niet in.

  • Het verschil tussen oude boekwaarde en actuele waarde komt in de herwaarderingsreserve, niet in het resultaat.

  • Liquidatiewaarde: opbrengst van de activa als de onderneming stopt; vaak lager dan de boekwaarde.

Syllabus 30.6.2 (de gekozen waarderingsgrondslag van de activa: historische uitgaafprijs, actuele waarde, herwaardering zonder inhaalafschrijving, liquidatiewaarde). Narekenen: 600.000 / 8 = 75.000; 75.000 min 60.000 = 15.000. Bij herwaardering zonder inhaalafschrijving schrijf je vanaf het moment van herwaarderen af over de nieuwe boekwaarde en de resterende looptijd; de te lage afschrijvingen uit het verleden worden niet ingehaald. De waardestijging gaat naar de herwaarderingsreserve (eigen vermogen). De liquidatiewaarde is relevant als de onderneming niet doorgaat. De waarderingsgrondslag verandert het resultaat, niet het geld dat de machine kostte.

De afschrijvingsperiode van een machine van € 240.000 gaat van 6 naar 8 jaar. Effect (belasting buiten beschouwing)?

A

Resultaat € 10.000 hoger, cashflow € 10.000 hoger

B

Resultaat € 10.000 hoger, cashflow gelijk

C

Resultaat € 10.000 lager, cashflow gelijk

D

Resultaat gelijk, cashflow € 10.000 hoger

Syllabus 30.6.2 en 30.6.1. 240.000 / 6 = 40.000; 240.000 / 8 = 30.000; afschrijving 10.000 lager, dus resultaat 10.000 hoger; cashflow = resultaat + afschrijvingen verandert niet. Verwachte fout: denken dat de cashflow meestijgt.

Een bank wil weten wat de machines opbrengen als de onderneming stopt. Welke waarde?

A

De liquidatiewaarde

B

De historische uitgaafprijs

C

De actuele waarde

D

De herwaardering zonder inhaalafschrijving

Syllabus 30.6.2. Liquidatiewaarde is de opbrengst van de activa bij beëindiging. Verwachte fout: de actuele waarde kiezen, dat is de prijs van een gelijke machine nu (voor een doorlopende onderneming).

Welk onderdeel vond je het lastigst?

1

Break-even afzet en omzet

2

De resultaatverdeling

3

Winst en cashflow

4

Afschrijving en waardering

Gebruik de uitslag om het onderdeel te kiezen dat je klassikaal nog een keer doet. Syllabus 30.4 tot en met 30.6.

Waarom is de cashflow niet gelijk aan het resultaat?

Syllabus 30.6.1. Een goed antwoord: afschrijving is een kost zonder uitgave (daarom telt de cashflow die weer bij het resultaat op), of: een verkoop op rekening telt al mee in het resultaat maar levert nog geen geld op. Verwachte fout: zeggen dat ze hetzelfde zijn.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

Begrippen (1/2)

  • break-even afzet: Afzet waarbij het resultaat nul is: constante kosten / dekkingsbijdrage per product.

  • break-even omzet: Omzet waarbij het resultaat nul is: constante kosten / dekkingsbijdrage in perunage.

  • dekkingsbijdrage: Verkoopprijs min variabele kosten per product; dekt de constante kosten.

  • financieringsresultaat: Interestopbrengsten min interestkosten.

  • incidenteel resultaat: Eenmalig resultaat, zoals een boekwinst op een verkochte machine.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · RESULTAAT

Begrippen (2/2)

  • dividend: Deel van het resultaat voor aandeelhouders: cash of stock, preferent of gewoon.

  • dividendbelasting: Belasting die de bv inhoudt op het uitgekeerde dividend.

  • reservering: Deel van het resultaat dat in de onderneming blijft en het eigen vermogen vergroot.

  • cashflow: Resultaat plus afschrijvingen.

  • waarderingsgrondslag: Manier waarop je activa waardeert: historisch, actueel, herwaardering of liquidatie.

Deze slide heeft geen instructies