Zinsdelen H6 bwb

timer
20:00
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

timer
20:00

Slide 1 - Tekstslide

Grammatica zinsdelen

Slide 2 - Tekstslide

Planning komende periode
Week 20 (deze week)
H6 blz. 178-179 maken opdr. 1 + 2
maken proeftoets

Week 21 (volgende week)
so grammatica zinsdelen H1 t/m H3 + H5 + H6
Start schrijfvaardigheid

Slide 3 - Tekstslide

Vorige lessen
We herhalen kort de stof die we voor de vakantie hebben geleerd.

Slide 4 - Tekstslide

Wat is waar over de pv?
A
Is altijd een WW
B
Is altijd een ZNW
C
Is nooit een WW
D
Is altijd enkelvoud

Slide 5 - Quizvraag

Wat is het ow?
Aan wie heeft hij een euro gegeven?
A
Aan wie
B
hij
C
een euro
D
heeft gegeven

Slide 6 - Quizvraag

Wat is het lv?
De zusjes spelen verstoppertje.
A
De zusjes
B
verstoppertje
C
geen lv.
D
spelen

Slide 7 - Quizvraag

Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
Alle werkwoorden in een zin
B
Alle leestekens in een zin
C
Alle personen in een zin
D
Leestekens

Slide 8 - Quizvraag

Lesdoel
Ik kan/weet:
  • bijwoordelijke bepalingen in een zin vinden.

Slide 9 - Tekstslide

Zinsdelen benoemen
  1. Persoonsvorm (werkwoord / kan van tijd/getal veranderen)
  2. Onderwerp (wie + pv?  of wat + pv?)
  3. Werkwoordelijk gezegde (alle werkwoorden in de zin)
  4. Lijdend voorwerp (wie + alle benoemde zinsdelen? of wat + alle eerder benoemde zinsdelen?)
  5. Meewerkend voorwerp (aan wie + alle benoemde zinsdelen? of voor wie + alle benoemde zinsdelen?)
  6. Bijwoordelijke bepaling (alle overgebleven zinsdelen)

Slide 10 - Tekstslide

Bijwoordelijke bepaling (bwb)
Een bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op de vragen: 
'waar?', 'wanneer?', 'waardoor?', 'waarom?', 'waarmee?', 'hoe?'.

En ook woorden als; niet, wel, zeker, mogelijk, gelukkig en helaas zijn een bwb.

Slide 11 - Tekstslide

Bijwoordelijke bepaling (bwb)
Benoem eerst de pv, ow, wg, lv en mv.

Je benoemt pas als laatste de bijwoordelijke bepalingen!

Slide 12 - Tekstslide

Bijwoordelijke bepaling (bwb)
We noemen de bijwoordelijke bepaling ook wel de ‘prullenbak’. 
Alles wat je overhoudt na het benoemen van de zinsdelen, noem je bwb.

Slide 13 - Tekstslide

Over een maand | ga | ik | op vakantie.

Hoe noem je het zinsdeel 'Over een maand'?
A
Lijdend voorwerp
B
Onderwerp
C
Bijvoeglijke bepaling
D
Bijwoordelijke bepaling

Slide 14 - Quizvraag

Wat is de bijwoordelijke bepaling (bwb)?

Vandaag hebben we het meewerkend voorwerp en de bijwoordelijke bepaling behandeld.
A
Vandaag
B
we
C
het meewerkend voorwerp en de bijwoordelijke bepaling
D
hebben behandeld

Slide 15 - Quizvraag

Wat is de bijwoordelijke bepaling (bwb)?

Ik ga deze lieve kinderen een ballon geven.
A
Ik
B
deze lieve kinderen
C
een ballon
D
geen bijwoordelijke bepaling

Slide 16 - Quizvraag

Waarom wil mijn oma altijd een zoen hebben?
waarom=
A
Persoonsvorm
B
Onderwerp
C
Lijdend voorwerp
D
Bijwoordelijke bepaling

Slide 17 - Quizvraag

Opdracht
blz. 178
Maken opdracht 1

Als je klaar bent, ga je verder met opdracht 2. Dit is ook het huiswerk van deze week. We kijken dit straks samen na. 

Heb je vragen? Vraag eerst je buurman/-vrouw.
Lukt het nog niet? Steek je vinger omhoog! Ik kom er dan aan.
timer
7:00

Slide 18 - Tekstslide

Ontleed de zin
1. Superfoods hebben de laatste jaren heel wat mensen bereikt.

Schrijf op: (als het zinsdeel niet voorkomt, noteer 'x')
pv = 
ow =
wg =
lv =
mv =
bwb =

Slide 19 - Tekstslide

Antwoord
Superfoods / hebben / de laatste jaren / heel wat mensen / bereikt.
  
ow = Superfoods
pv = hebben
wg = hebben bereikt
lv = heel wat mensen
mv = x
bwb = de laatste jaren

Slide 20 - Tekstslide

Ontleed de zin
2. In België / worden / ze / in de volksmond / ook / wel / muizenstrontjes  / genoemd.

Schrijf op: (als het zinsdeel niet voorkomt, noteer 'x')
pv = 
ow = 
wg = 
lv = 
mv =
bwb = 

Slide 21 - Tekstslide

Antwoord
2. In België worden ze in de volksmond ook wel muizenstrontjes genoemd.
pv = worden
ow = ze
wg = worden genoemd
lv =muizenstrontjes
mv = x
bwb = In België, in de volksmond, ook, wel

* bonus: Wat wordt zo genoemd in België? 

Slide 22 - Tekstslide

Vast voorzetsel bij ww
Sommige werkwoorden hebben een vast voorzetsel bij zich; twijfelen aan, rekenen op, verlangen naar etc..
Bij zulke ww hoort een een voorzetselvoorwerp (vv); het zinsdeel dat begint met het vaste voorzetsel.

Voorbeeld: Waarom / twijfel / je / nu / ineens / aan de eerlijkheid van je vriendin?
vv = aan de eerlijkheid van je vriendin

bwb
pv
ow
bwb
bwb

Slide 23 - Tekstslide

In de middeleeuwen geloofden de meeste mensen in de kracht van hekserij.

In de middeleeuwen =
A
bwb
B
ow
C
vv
D
pv

Slide 24 - Quizvraag

In de middeleeuwen geloofden de meeste mensen in de kracht van hekserij.

in de kracht van hekserij =
A
bwb
B
ow
C
vv
D
pv

Slide 25 - Quizvraag

Wat is een bwb?
A
wat+ow+gez.
B
aan wie of voor wie
C
waarom, wanneer enz.
D
Het is eerste woordje van een vraagzin.

Slide 26 - Quizvraag

Wat is de bwb?

Wie wil dit morgen doen?
A
Geen bwb
B
Wie
C
Dit
D
Morgen

Slide 27 - Quizvraag

Wat is de bwb:
Wij gaan altijd op de fiets naar school.
A
op de fiets
B
naar school
C
op de fiets en naar school
D
er staat geen bwb in

Slide 28 - Quizvraag

Ik kan nu de bijwoordelijke bepaling in zinnen vinden.
A
Ja, dat lukt me prima.
B
Ik vind het nog wel lastig, dus ik moet nog meer oefenen.
C
Nee, ik snap het echt nog niet.

Slide 29 - Quizvraag

Hoe vind je zelf dat je gewerkt hebt?
A
:)
B
:|
C
:(

Slide 30 - Quizvraag