Hoofdstuk 2, paragraaf 2

Productiekosten
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Productiekosten

Slide 1 - Tekstslide

Extra kosten
Muur 1: 0,5 uur
Muur 2: 1,5 uur
Muur 3: 2,5 uur
Muur 4: 3,5 uur
Stel.... Een schilder kost €100,- per uur... De 4e muur is veel duurder

Slide 2 - Tekstslide

Wat is het verschil tussen vaste en variabele kosten?

Slide 3 - Open vraag

Totale kosten
TK = Vast (constant) + Variabel

Vaste kosten: Hangen niet af van de productie. Heb je sws. (Huur, Loon vaste werknemers, verzekeringen)
Variabele kosten: hoe hoger de afzet (q), hoe hoger de kosten. (Inkoop, flexwerkers, energie, ...)


Slide 4 - Tekstslide

GTK: Gemiddelde totale kosten
Totale kosten : afzet (q)

Bij 1 stuk: €34:1 = €34
Bij 2 stuks: €64:2 = €32
Bij 3 stuks: €114:3 = €38
Bij 4 stuks: €184:4 = €46

Slide 5 - Tekstslide

MK: Marginale kosten
Extra kosten volgend product
1e product kost €10 (34-24)
2e product kost €30 (64-34)
3e product kost €50 (114-64)
4e product kost €70 (184-114)

Slide 6 - Tekstslide

Tk = 5q +500
Marginaal: €5,-
Variabel: €5,-
Vaste kosten: 500

Slide 7 - Tekstslide

TK = 5Q + 500
Bereken GTK bij q = 100

Slide 8 - Open vraag

TK = 5q+20
Hoeveel zijn de variabele kosten per product?
A
20
B
5
C
1/4
D
4

Slide 9 - Quizvraag

TK = 5q+20
Hoeveel zijn de constante kosten?
A
20
B
5
C
1/4
D
4

Slide 10 - Quizvraag

Bakker de Jong heeft de volgende kostenfunctie: TK = 0,50q + 14.000. In 2016 zijn de marginale kosten van ieder extra brood?
A
0,50
B
0
C
14.000
D
7.000

Slide 11 - Quizvraag

Bakker de Jong heeft de volgende kostenfunctie: TK = 0,50q + 14.000. De variabele kosten per brood zijn?
A
0,50
B
0
C
14.000
D
7.000

Slide 12 - Quizvraag

Hfst 2, paragraaf 2
3 t/m 11 maken

Slide 13 - Tekstslide