Arbeidsmarkt en werkloosheid (Economie vwo), les 3: Terugblik quiz

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Quiz

Terugblik: Arbeidsmarkt en werkloosheid

1 / 13
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblikquiz met tien vragen over arbeidsaanbod en arbeidsvraag, soorten werkloosheid, loonontwikkeling, flexwerk en het werkloosheidspercentage.

Onderdelen in deze les

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Quiz

Terugblik: Arbeidsmarkt en werkloosheid

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Rob Bogaerts / Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0

Tom werkt 25 uur per week, Sara zoekt actief werk. Wie telt mee in het arbeidsaanbod?

A

Alleen Tom

B

Alleen Sara

C

Allebei

D

Geen van beiden

Het arbeidsaanbod is de beroepsbevolking: werkenden en werklozen. Verwachte fout: alleen de werklozen of alleen de werkenden.

Vacatures nemen toe, de werkgelegenheid blijft gelijk. Wat doet de arbeidsvraag?

A

Ze stijgt

B

Ze daalt

C

Ze blijft gelijk

D

Dat kun je niet zeggen

Arbeidsvraag = werkgelegenheid + vacatures, dus meer vacatures betekent meer arbeidsvraag. Verwachte fout: denken dat alleen de werkgelegenheid telt.

Beroepsbevolking 5.000, arbeidsvraag 4.740 (x 1.000). Werklozen min vacatures?

A

240

B

5.740

C

4.740

D

260

Arbeidsaanbod min arbeidsvraag: 5.000 - 4.740 = 260, en dat is gelijk aan werklozen min vacatures. Verwachte fout: de getallen optellen (5.740).

Welke vorm hoort niet bij flexwerk?

A

Een oproepkracht

B

Een vast contract bij een werkgever

C

Een uitzendkracht

D

Een tijdelijk contract

Flexwerk is werk zonder vast contract. Verwachte fout: de oproepkracht niet als flexwerk zien.

Een jurist zoekt twee maanden werk tussen twee banen. Welke werkloosheid?

A

Frictiewerkloosheid

B

Conjuncturele werkloosheid

C

Werkloosheid door technologie

D

Geen werkloosheid, want ze is zzp'er

Zoektijd tussen twee banen is frictiewerkloosheid. Verwachte fout: conjuncturele werkloosheid, omdat het tijdelijk is.

Verkoop zakt in laagconjunctuur, een fabriek ontslaat. Welke werkloosheid?

A

Frictiewerkloosheid

B

Werkloosheid door een mismatch

C

Conjuncturele werkloosheid

D

Structurele werkloosheid door technologie

De oorzaak is te weinig vraag in een laagconjunctuur: conjunctureel. Verwachte fout: structurele werkloosheid kiezen.

Zelfscankassa's vervangen kassamedewerkers. Welke werkloosheid kan dat geven?

A

Conjuncturele werkloosheid

B

Structurele werkloosheid

C

Werkloosheid door een hogere arbeidsvraag

D

Werkloosheid door flexwerk

Technologie laat banen blijvend verdwijnen: structurele werkloosheid. Verwachte fout: conjuncturele werkloosheid.

Er zijn weinig werklozen en veel vacatures. Wat verwacht je van de loonontwikkeling?

A

De lonen dalen waarschijnlijk

B

Lonen hangen niet samen met de arbeidsmarkt

C

De lonen stijgen zeker niet

D

De lonen stijgen waarschijnlijk sneller

Bij een krappe arbeidsmarkt stijgen de lonen vaak sneller. Verwachte fout: denken dat er geen verband is.

Werklozen stijgen in aantal, het percentage daalt. Hoe kan dat?

A

De werkgelegenheid neemt sterk af

B

Er komen minder vacatures bij

C

De arbeidsvraag daalt mee

D

De beroepsbevolking groeit relatief sneller

Het percentage is werklozen : beroepsbevolking; groeit de noemer sneller, dan daalt het percentage. Verwachte fout: alleen naar het aantal werklozen kijken.

Een oproepkracht werkt alleen als het bedrijf belt. Wat betekent dat voor haar?

A

Meer zekerheid dan bij een vast contract

B

Onzekerheid over werk en inkomen

C

Een hoger loon door het vaste contract

D

Eigen rekening en risico als zzp'er

Flexwerk geeft onzekerheid over werk en inkomen. Verwachte fout: oproepkracht en zzp'er door elkaar halen.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Goed gedaan!

Je kunt nu de arbeidsmarkt met begrippen beschrijven, werkloosheid en loonontwikkeling berekenen en structurele (incl. frictie) en conjuncturele werkloosheid onderscheiden. Bij elke examenvraag: welk begrip, welke formule, welke eenheid.

Deze slide heeft geen instructies