Ongelijkheid nationaal en internationaal (Maatschappijwetenschappen vwo), les 3: Terugblik quiz

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Quiz

Terugblik: Ongelijkheid nationaal en internationaal

1 / 15
volgende
Slide 1: Slide
newEditorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik quiz met 12 vragen over sociale ongelijkheid, hulpbronnen, hegemonie, anarchie en de vijf theorieën over het gedrag van staten.

Onderdelen in deze les

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Quiz

Terugblik: Ongelijkheid nationaal en internationaal

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Mark Hillary / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

Wat maakt een verschil tussen mensen tot sociale ongelijkheid?

A

Het heeft gevolgen voor positie en verdeling

B

Het verschil is aangeboren en blijft altijd bestaan

C

Het verschil is door de overheid vastgelegd in de wet

D

Mensen zien het verschil direct aan elkaar

Syllabus 9.1: verschillen hebben consequenties voor de maatschappelijke positie en leiden tot een ongelijke verdeling van schaarse, hooggewaardeerde zaken, waardering en behandeling. Verwachte fout: denken dat alleen aangeboren verschillen ongelijkheid opleveren; de syllabus zegt 'al dan niet aangeboren'.

Welke factor komt in Nederlands onderzoek steeds naar voren bij ongelijkheid?

A

De woonplaats

B

De leeftijd

C

De geloofsovertuiging

D

Het opleidingsniveau

Syllabus 9.1: het opleidingsniveau komt steeds naar voren als verklarende factor. Verwachte fout: leeftijd of woonplaats, die ook samenhangen met positie maar niet als verklarende factor in de syllabus staan.

Een regering zet militaire middelen in om gedrag af te dwingen. Welke hulpbron is dit?

A

Een economische hulpbron

B

Een politieke hulpbron

C

Een sociale hulpbron

D

Een symbolische hulpbron

Syllabus 9.1: macht en gezag, zoals fysieke (militaire) of juridische dwangmiddelen, zijn politieke hulpbronnen. Verwachte fout: economische hulpbron, omdat een leger geld kost.

Vul in

Liberale theorieën benadrukken wederzijdse afhankelijkheid en samenwerking, terwijl realisten uitgaan van een machtsstrijd van allen tegen allen.

Liberale theorieën
wederzijdse afhankelijkheid
machtsstrijd
Marxistische theorieën
hegemonie

Syllabus 9.2.1 en 9.2.3. Verwachte fout: marxistische theorieën bij samenwerking invullen.

Zet de realistische redenering op volgorde

1

Staten versterken macht en sluiten allianties

2

Het statensysteem kent anarchie

3

Evenwicht of hegemonie voorkomt tijdelijk oorlog

4

Staten kunnen niet op recht vertrouwen

Syllabus 9.2.1. Verwachte fout: allianties vóór het ontbreken van vertrouwen zetten. Anarchie en wantrouwen zijn de reden voor de machtsvorming.

Onderzoekers bestuderen hoe normen tussen staten verspreiden. Welke theorie?

A

Sociaalconstructivistische theorieën

B

Realistische theorieën

C

Marxistische theorieën

D

Politiek psychologische theorieën

Syllabus 9.2.4: constructivisten onderzochten hoe normen werden geïnternationaliseerd en geïnstitutionaliseerd en hoe ze opvattingen over legitiem handelen beïnvloedden. Verwachte fout: politiek psychologisch, omdat het om opvattingen gaat; maar hier gaat het om gedeelde normen, niet om de psyche van individuen.

Welke reactie kan sociale ongelijkheid uitlokken?

A

Een machtsevenwicht tussen staten

B

Een hogere kapitaalaccumulatie

C

Een emancipatiebeweging

D

Een toename van wederzijdse afhankelijkheid

Syllabus 9.1: sociale ongelijkheid kan aanleiding geven tot conflicten (verzet, opstand, revolutie) en tot emancipatiebewegingen. Verwachte fout: machtsevenwicht, omdat het met macht en ongelijkheid te maken heeft; dat is een toestand tussen staten, geen reactie op ongelijkheid.

Wat betekent anarchie in het statensysteem?

Goed antwoord: er is geen supranationale organisatie die normen oplegt en de naleving controleert. Verwachte fout: anarchie opvatten als chaos of voortdurende oorlog.

Welke bewering past bij de liberale theorieën?

A

De staat is de enige actor die ertoe doet

B

De staat is belangrijk, maar niet de enige actor

C

Nooit vertrouwen op internationale organisaties

D

Het nationale belang is voor elke staat vanzelfsprekend

Syllabus 9.2.3. Verwachte fout: de tweede optie, die hoort bij het realisme (9.2.1). De derde optie zegt het tegenovergestelde van liberalen: zij zeggen dat nationaal belang niet bestaat maar het resultaat is van besluitvorming.

Tussen welke groepen bestaat machtsongelijkheid volgens marxistische theorieën?

A

Staatshoofden en burgers van andere staten

B

Hoogopgeleiden en laagopgeleiden

C

Machtige en zwakke militaire bondgenoten

D

Bezitters van productiemiddelen en niet-bezitters

Syllabus 9.2.2: de kapitalistische productiewijze wordt gekenmerkt door machtsongelijkheid tussen bezitters van productiemiddelen en niet-bezitters. Verwachte fout: hoogopgeleiden en laagopgeleiden, naar aanleiding van opleidingsniveau als verklaring uit 9.1; maar het gaat in het marxisme om bezit.

Kenmerk van politiek psychologische theorieën?

Goed antwoord: dat verhoudingen tussen staten samenhangen met de psyche van de betrokken personen, zoals staatshoofden en ministers: hun karakter, kennis, attitudes en misvattingen. Verwachte fout: alleen 'de rol van leiders' noemen zonder de psychologische eigenschappen.

Waarmee willen grote landen of machtsblokken hun invloed in regio's maximaliseren?

A

Alleen met internationaal recht en verdragen

B

Met culturele uitwisseling zonder machtsmiddelen

C

Alleen met de hulp van ngo's

D

Met militaire en economische macht gecombineerd

Syllabus 9.1: grote landen of machtsblokken combineren militaire en economische macht, wat tot een geopolitieke machtsstrijd leidt. Verwachte fout: alleen militaire macht noemen.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

VERHOUDING · ONGELIJKHEID

Goed gedaan!

Je kunt ongelijkheid beschrijven en verklaren, binnen en tussen staten, vanuit meerdere paradigma's en theorieën. Dat is precies wat het examen vraagt: concepten toepassen op nieuwe casussen.

Deze slide heeft geen instructies