Les 5 en 6: persoonsvorm verleden tijd

Werkwoorden herkennen
Persoonsvorm tegenwoordige tijd
Ik kan de persoonsvorm in de verleden tijd goed schrijven
Ik ken de regels van 't ex-kofschip
Ik maak de opdrachten uit het boekje
Persoonsvorm verleden tijd: de regels

Nederlands
Maken de opdrachten bij persoonsvorm verleden tijd
Les 1: opdracht 9 en 10
Les 2: opdracht 11 en 12
Hebben we alle doelen behaald?
Afmaken opdrachten bij les 1 en les 2
1 / 11
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 11 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Werkwoorden herkennen
Persoonsvorm tegenwoordige tijd
Ik kan de persoonsvorm in de verleden tijd goed schrijven
Ik ken de regels van 't ex-kofschip
Ik maak de opdrachten uit het boekje
Persoonsvorm verleden tijd: de regels

Nederlands
Maken de opdrachten bij persoonsvorm verleden tijd
Les 1: opdracht 9 en 10
Les 2: opdracht 11 en 12
Hebben we alle doelen behaald?
Afmaken opdrachten bij les 1 en les 2

Slide 1 - Tekstslide

Werkwoorden herkennen
Persoonsvorm tegenwoordige tijd
Ik kan de persoonsvorm in de verleden tijd goed schrijven
Ik ken de regels van 't ex-kofschip
Persoonsvorm verleden tijd: de regels
Maken de opdrachten bij persoonsvorm verleden tijd
opdracht 9
Begrijpen jullie de stof?
Les 1: 10
Les 2: opdracht 11 en 12
Begrijpen jullie de stof
Afmaken opdrachten 9, 10, 11 en 12

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen

Ik kan de persoonsvorm in de verleden tijd goed schrijven
Ik ken de regels van 't ex-kofschip
Ik maak de opdrachten uit het boekje

Slide 3 - Tekstslide

Vorige les
Persoonsvorm tegenwoordige tijd

Wat is ook alweer een persoonvorm? Hoe herken je die en waar staat die meestal in de zin?

Slide 4 - Tekstslide

Persoonsvorm verleden tijd

Hoe vorm je die?

Natuurlijk gaat dit anders dan in de tegenwoordige tijd

Slide 5 - Tekstslide

Verleden tijd
Als iets al gebeurd is, bijvoorbeeld:
Gisteren, een kwartier geleden, vorig jaar.

Hij fietste gisteren naar huis.
Vorige week bakte hij een brood.
Hij durfde niet naar huis te liften. 

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Dus:
hele werkwoord - en                                koken --> -en eraf                    laatste letter in t -exkofschip?            kok --> k in het kofschip?-->
Nee is een D
Ja is een T                                                     Ja, dus kookte

Let op: dit geldt alleen voor zwakke werkwoorden

Slide 8 - Tekstslide

Vaak hoor je wel of het een -d of -t is:
Fietste, want fietsde klinkt niet
stapte, want stapde klinkt niet
durfde, want durfte klinkt niet


Slide 9 - Tekstslide

Sterk of zwak werkwoord?

lopen -->  liep of loopte?
brengen --> brengde of bracht?
steken --> stak of steekte?


Slide 10 - Tekstslide

Aan het werk!

Les 1: blz. 13 opdracht 9 en 10

Les 2: blz. 14 opdr. 11 en 12

Klaar? Nakijken met nakijkboekje (alle opdrachten tot nog toe!)
timer
10:00

Slide 11 - Tekstslide