Economie basis leerjaar 1

Wat blijft er over?

1 / 20
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 6Leerroute 7

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Wat blijft er over?

Open met het herkenbare idee dat een salarisbedrag hoog lijkt, maar dat vaste lasten veel van dat bedrag opslokken zodra je zelfstandig woont.

Lesdoel

Ik kan uitleggen welke vaste lasten je hebt als je op jezelf woont, welk deel van je inkomen daarvoor bedoeld is en waar de rest van je inkomen naartoe kan gaan.

Deze slide heeft geen instructies

Welke vaste lasten schieten jou als eerste te binnen?

Gebruik de antwoorden om voorkennis op te halen. Vraag daarna kort door: welke kosten zijn verplicht en welke komen elke maand terug?

Vaste lasten: wat zijn dat?

Vaste lasten zijn uitgaven die regelmatig terugkomen en die je meestal verplicht moet betalen.


Ze horen bij wonen en leven op jezelf. Je betaalt ze vaak per maand en je kunt ze niet zomaar overslaan.

Benadruk het verschil tussen vaste lasten en losse, dagelijkse uitgaven. Het gaat hier om terugkerende kosten, niet om eenmalige aankopen.

Waarom blijft er minder over?

Een inkomen van € 1.400 per maand lijkt veel.


Maar bij zelfstandig wonen gaat eerst een groot deel naar vaste lasten. Wat daarna overblijft, kun je pas gebruiken voor andere uitgaven.

De € 1.400 komt uit de opdrachttekst. Geen verdere rekenvoorbeelden toevoegen, omdat de opdracht vooral om overzicht en indeling vraagt.

Waar horen vaste lasten bij?

Veel vaste lasten hebben te maken met:

  • wonen

  • energie en water

  • verzekeringen

  • communicatie

  • vervoer of abonnementen


Deze kosten vormen samen een groot deel van je maandelijkse budget.

Houd de uitleg breed en functioneel. De volgende slides vullen de concrete voorbeelden in.

De grootste kostenpost

Voor veel mensen is wonen de hoogste vaste last.


Denk aan huur of andere woonkosten. Daarom neemt huisvesting meestal het grootste deel van het vaste budget in.

Sluit aan op de opdracht waarin leerlingen de vaste lasten van hoog naar laag presenteren. Wonen staat vaak bovenaan.

Overzicht van vaste lasten

Veelvoorkomende vaste lasten bij op jezelf wonen zijn:

  • huur of woonkosten

  • gas, water en elektriciteit

  • zorgverzekering

  • internet en telefoon

  • gemeentelijke heffingen

  • verzekeringen zoals aansprakelijkheid of inboedel

Noem dat leerlingen voor hun eigen onderzoek Nibud of gesprekken met volwassenen kunnen gebruiken om dit overzicht aan te vullen of te controleren.

Van hoog naar laag

Vaak lager

  • internet en telefoon

  • gemeentelijke heffingen

  • inboedel- of aansprakelijkheidsverzekering

  • huur of woonkosten

  • gas, water en elektriciteit

  • zorgverzekering

Vaak hoger

De precieze volgorde kan per situatie verschillen. Het doel is dat leerlingen begrijpen dat sommige vaste lasten zwaarder drukken op het budget dan andere.

Welke uitgave is meestal de hoogste vaste last?

A

zorgverzekering

B

huur of woonkosten

C

internet en telefoon

D

gemeentelijke heffingen

De inhoudsslides bouwen op naar het idee dat wonen meestal de grootste kostenpost is. De andere opties zijn wel vaste lasten, maar meestal lager.

Maak het overzicht compleet

Vaste lasten zijn uitgaven die regelmatig terugkomen en die je meestal verplicht moet betalen. Bij op jezelf wonen is wonen voor veel mensen de grootste kostenpost.

terugkomen
betalen
wonen
sparen
eenmalig
vervoer
kiezen

De blanks toetsen de kern van de eerste uitleg: vaste lasten keren terug, zijn meestal verplicht en wonen is vaak de grootste post.

Welk deel van je inkomen?

Het Nibud adviseert om ongeveer 50% van je inkomen aan vaste lasten te besteden.


Dat helpt om genoeg ruimte over te houden voor andere noodzakelijke uitgaven en voor onverwachte kosten.

Gebruik hier expliciet het gevraagde percentage uit de opdracht. Leg uit dat dit een richtlijn is om financieel in balans te blijven.

Waarom is die richtlijn belangrijk?

Als vaste lasten te hoog zijn, blijft er weinig ruimte over.


Dan wordt het lastiger om dagelijkse uitgaven te betalen of geld apart te zetten voor later.

Maak de koppeling tussen een vast budget en financiële keuzes: hoe hoger de vaste lasten, hoe kleiner de speelruimte.

Waar gebruik je de rest voor?

De rest van je inkomen kun je gebruiken voor twee soorten uitgaven:

  • huishoudelijke uitgaven

  • reserveringsuitgaven


Dat zijn uitgaven die niet onder je vaste lasten vallen.

Neem precies de tweedeling over waar de opdracht om vraagt.

Huishoudelijke uitgaven

Huishoudelijke uitgaven zijn kosten voor dingen die je regelmatig nodig hebt in het dagelijks leven.


Denk aan boodschappen, kleding, vervoer en verzorging.

Benadruk dat dit uitgaven zijn die terugkomen, maar niet zo vastliggen als huur of verzekeringen.

Reserveringsuitgaven

Reserveringsuitgaven zijn uitgaven waarvoor je geld opzij zet.


Bijvoorbeeld voor meubels, apparaten, onderhoud of vervanging van spullen.

Leg uit dat je voor deze kosten spaart, omdat ze niet elke maand voorkomen maar wel te verwachten zijn.

Samenhang in je budget

Inkomen → eerst vaste lasten

Vaste lasten binnen de richtlijn → meer ruimte over

Ruimte over → huishoudelijke uitgaven + reserveringsuitgaven


Zo zie je hoeveel geld er uiteindelijk echt overblijft.

Gebruik deze slide als samenvattende denklijn van de les.

Welk percentage adviseert het Nibud voor vaste lasten?

A

30%

B

50%

C

70%

D

90%

Controleer of leerlingen de richtlijn van ongeveer 50% hebben onthouden en niet verwarren met een zo hoog mogelijk deel van het inkomen.

Vul de begrippen in

Volgens het Nibud besteed je ongeveer 50% van je inkomen aan vaste lasten. De rest gebruik je voor huishoudelijke uitgaven en reserveringsuitgaven.

50%
huishoudelijke uitgaven
reserveringsuitgaven
25%
woonkosten
verzekeringen
spaargeld

Hier komen de drie kernantwoorden uit de opdracht samen: percentage, huishoudelijke uitgaven en reserveringsuitgaven.

Leg het verschil uit tussen die twee soorten uitgaven.

Bespreek dat een goed antwoord noemt: boodschappen, kleding, vervoer en verzorging horen bij huishoudelijke uitgaven; meubels, apparaten, onderhoud of vervanging horen bij reserveringsuitgaven.