Les 24 taal PABO, 15 april 2026

Les 24 | Taal 2.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsHBOStudiejaar 1,2

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Les 24 | Taal 2.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie

Slide 1 - Tekstslide

Inchecken; Hoe voel je je nu?

Slide 2 - Tekstslide

Hoe voel je je?

Blij, enthousiast of..
Normaal, rustig of...
Moe, nerveus, verdrietig of...

Slide 3 - Open vraag

De vorige les.
Taal 2.
Lesdoel(en) | Lesson objective(s):


Slide 4 - Tekstslide

Vraag uit een eerdere les |

Slide 5 - Open vraag


Slide 6 - Open vraag

Instructie.
Taal 2.
Lesdoel(en):
  1. Leer je wat geletterdheid is.
  2. Leer je de tussendoelen van beginnende geletterdheid.
  3. Leer je de ontwikkelingsfases van geletterdheid.
  4. Leer je de auditieve en visuele vaardigheden.
  5. Leer je de elementaire leeshandeling.

Deze les bevat theorie vanuit hoofdstuk 5 uit jouw boek.



Slide 7 - Tekstslide

Instructie.
Geletterdheid.
Geletterdheid: De belangstelling voor het geschreven woord en de inzichten die kinderen ontwikkelen in de functies van geschreven taal. Bij oudere kinderen wordt met deze term het vermogen om te lezen en te schrijven bedoeld. 

Slide 8 - Tekstslide

Instructie.
Geletterdheid.
Geletterdheid heeft betrekking op de volgende aspecten;
  1. boekorientatie
  2. verhaalbegrip
  3. functies van geschreven taal
  4. relatie tussen gesproken en geschreven taal
  5. taalbewustzijn
  6. alfabetisch principe
  7. functioneel schrijven en lezen
  8. technisch lezen en schrijven - start
  9. technisch lezen en schrijven - vervolg
  10. begrijpend lezen en schrijven

Slide 9 - Tekstslide

Instructie.
Geletterdheid.
De drie ontwikkelingsfasen van geletterdheid;

  1. ontluikende geletterdheid, 0-4 jaar;
    De interactie met ouders/opvoeders speelt een belangrijke rol. Bijvoorbeeld: voorlezen.
  2. beginnende geletterdheid, groep 1 t/m 3;
    Door activiteiten als voorlezen, stempelen, boekenhoek, taalspelletjes. Aanvankelijk lezen (leren letters en klanken + decoderen) behoort ook tot beginnende geletterdheid. 
  3. gevorderde geletterdheid, periode na groep 3;
    Deze fase omvat het voortgezet lezen en stellen. Kinderen leren verschillende soorten teksten te lezen en ze leren strategieën en de betekenis van woorden te achterhalen.

Slide 10 - Tekstslide

Instructie.
Tussendoelen geletterdheid.
De tussendoelen hebben betrekking op aanvankelijk, technisch en begrijpend lezen. Deze tussendoelen zijn niet goed te toetsen. Want wat de kinderen in de groepen 1 tot en met groep 7 moeten leren, is niet vastgelegd. Door middel van observatie is vast te stellen of een kind een tussendoel beheerst. 

De vaardigheid om zich in een geletterde samenleving te kunnen redden, noemen we ook wel functionele geletterdheid. Voorbeelden:
  1. handleiding kunnen lezen
  2. whatsappje kunnen versturen
  3. e-mail of sollicitatiebrief kunnen sturen


Slide 11 - Tekstslide

Instructie.
Ontwikkeling geletterdheid.
  1. Spontane geletterdheid; metalinguïstisch bewustzijn (kunnen nadenken over de klanken die in woorden zitten). Meertalige kinderen beschikken hier eerder over dan eentalige kinderen. De 5 fasen:
    1. het tekenen van woorden
    2. het krabbelen van nog niet herkenbare lettertekens
    3. het schrijven van letterachtige vormen en letters
    4. het weergeven van woorden door één of enkele letters
    5. invented spelling (woorden schrijven hoe ze klinken)

  2. Spontane leesontwikkeling; leesontwikkeling is nauw verweven met de schrijfontwikkeling. Er zijn twee ontwikkelingsfasen binnen de vroege leesontwikkeling:
    1. Pseudolezen: het imiteren van het leesgedrag van ouders/verzorgers.
    2. Spontaan lezen: wanneer kinderen de tekst proberen te decoderen.

Slide 12 - Tekstslide

Instructie.
Ontwikkeling geletterdheid.
Bij pseudolezen zijn de volgende zes leesgedragingen te onderscheiden:
  1. commentaar geven op plaatjes
  2. het volgen van een verhaal op de plaatjes
  3. een verhaal weergeen in dialoogvorm (stemmetjes gebruiken, nog een onsamenhangend verhaal)
  4. een verhaal weergeven in monoloogvorm (complete verhaal navertellen, intonaties gebruiken)
  5. een verhaal weergeven in een mengeling van spreektaal en schrijftaal
  6. het memoriseren van teksten (in staat zijn om de lezer te corrigeren ´nee, dat staat er niet´)

Slide 13 - Tekstslide

Instructie.
Ontwikkeling geletterdheid.
Bij spontaan lezen onderscheiden we drie verschillende fasen:
  1. globaal lezen van bekende woorden (stapelverhaal: Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft)
  2. lezen door analyse van bekende woorden (woorden vergelijken: huis / muis)
  3. zelfstandig lezen van nieuwe woorden (rijm gaat een rol spelen)

Slide 14 - Tekstslide

Instructie.
Ontwikkeling geletterdheid.
Er zijn 5 fasen in het lezen van woorden:
1. de prealfabetische fase; Kinderen gaan nog niet naar school. Weinig kennis van letters.
2. de partieel alfabetische fase; Woorden lezen op grond van één of enkele letters.
3. de volledig alfabetische fase; Alle letters worden herkend.
4. de geconsolideerde alfabetische fase; Het lezen verloopt vlot en vloeiend.
5. de geautomatiseerde alfabetische fase; Het toepassen van verschillende leesstrategieën. 

Slide 15 - Tekstslide

Instructie.
Auditieve vaardigheden.
Auditieve vaardigheden; Het kunnen onderscheiden van klanken in een woord.
Foneem = klank.
  1. Auditieve objectivatie; verschillende klanken herkennen in een woord.
  2. Auditieve discriminatie; overeenkomsten of verschillen tussen klanken/woorden vaststellen.
  3. Auditieve analyse; een woord hakken: b oo m.
  4. Auditieve synthese; losse klanken kunnen plakken; b oo m = boom.
  5. Temporeel ordenen; het onthouden van bepaalde klanken of woorden in een bepaalde volgorde.
  6. Klankpositie bepalen; wat hoor je vooraan in v/uu/r?

Slide 16 - Tekstslide

Instructie.
Visuele vaardigheden.
Visuele vaardigheden; het omzetten van letters in woorden en zinnen.
Grafeem = letter.
  1. visuele discriminatie; overeenkomsten en verschillen zien tussen afbeeldingen, letters of woorden.
  2. visuele analyse; een woord in afzonderlijke grafemen onderscheiden.
  3. visuele synthese; het samenvoegen van grafemen.
  4. Spatieel ordenen; in ons schriftsysteem zijn letters van links naar rechts geordend: de leesrichting.
  5. Letterpositie bepalen; letterpositie bepalen.

Slide 17 - Tekstslide

Instructie.
Elementaire leeshandeling.
Elementaire leeshandeling; een basisstrategie voor het lezen;  het teken voor teken lezen van een woord, oftewel spellend lezen, oftewel hakken en plakken. Deze leeshandeling bestaat uit 3 stappen:
  1. Het van links naar rechts koppelen van fonemen aan grafemen.
  2. Auditieve synthese.
  3. Betekenis geven.

In veel leesmethoden wordt de elementaire leeshandeling ondersteund met bewegingen. Hakken: twee armen van boven naar beneden.  Plakken: twee armen van links naar rechts.

Deze leeshandeling wordt vooral gebruikt voor het lezen van klankzuivere woorden.

Deze leeshandeling wordt vaak tegelijkertijd aangeleerd met de elementaire spellinghandeling (het uit elkaar halen van een woord in spraakklanken en het voor elke spraakklank opschrijven van de bijbehorende letter).

Slide 18 - Tekstslide

Instructie.
Kennis beginnende geletterdheid gebruiken.
Als je kennis hebt van de fasen van de spontane leesontwikkeling van kinderen, dan kun je niet alleen nagaan hoever kinderen zijn in hun ontwikkeling, maar je kunt ze ook stimuleren om een volgende fase te bereiken. De volgende fase wordt ook wel de zone van de naaste ontwikkeling genoemd. 

Slide 19 - Tekstslide

Zelfstandige verwerking.
Kennis testen.
Lesdoel(en):
  1. Leer je wat geletterdheid is.
  2. Leer je de tussendoelen van beginnende geletterdheid.
  3. Leer je de ontwikkelingsfases van geletterdheid.
  4. Leer je de auditieve en visuele vaardigheden.
  5. Leer je de elementaire leeshandeling.

Slide 20 - Tekstslide

Welke activiteit hoort het meest bij de fase van ontluikende geletterdheid?

A. Het leren toepassen van leesstrategieën bij informatieve teksten
B. Het oefenen van technisch lezen op tempo
C. Het voorlezen van verhalen door ouders of opvoeders
D. Het schrijven van langere informatieve teksten

Slide 21 - Open vraag

Leg uit wat geletterdheid betekent en beschrijf kort de drie ontwikkelingsfasen van geletterdheid.

Slide 22 - Open vraag

Wat wordt bedoeld met functionele geletterdheid?

A. Het kunnen analyseren van moeilijke literaire teksten
B. Het kunnen lezen en schrijven in dagelijkse situaties in de samenleving
C. Het kunnen spellen van alle woorden volgens de spellingregels
D. Het kunnen schrijven van creatieve verhalen

Slide 23 - Open vraag

Leg uit wat spontane geletterdheid is en beschrijf twee fasen uit de schrijfontwikkeling die daarbij horen.

Slide 24 - Open vraag

Wat is een kenmerk van pseudolezen?

A. Kinderen lezen nieuwe woorden door rijm te herkennen
B. Kinderen imiteren het leesgedrag van volwassenen
C. Kinderen analyseren woorden door ze te vergelijken
D. Kinderen lezen zelfstandig onbekende teksten

Slide 25 - Open vraag

Een leerling uit groep 3 leest het woord “boom”. Hij zegt eerst: “b…oo…m” en plakt daarna de klanken aan elkaar tot “boom”.

Een andere leerling uit dezelfde klas leest het woord “huis” meteen vloeiend zonder te spellen.

In welke leesfase bevinden deze twee leerlingen zich? Leg je antwoord uit.

Slide 26 - Open vraag

Welke auditieve vaardigheid wordt gebruikt wanneer een leerling het woord “kat” hoort en zegt dat het begint met de klank /k/?

A. Auditieve synthese
B. Auditieve discriminatie
C. Klankpositie bepalen
D. Temporeel ordenen

Slide 27 - Open vraag

Welke vaardigheid gebruikt een leerling wanneer hij het woord “boek” ziet en het opsplitst
in b – oe – k?

A. Visuele discriminatie
B. Spatieel ordenen
C. Visuele synthese
D. Visuele analyse

Slide 28 - Open vraag

Wat is het belangrijkste kenmerk van de elementaire leeshandeling?

A. Woorden worden direct globaal herkend zonder analyse
B. Woorden worden in één keer visueel herkend
C. Woorden worden letter voor letter gelezen en daarna samengevoegd
D. Alleen moeilijke woorden worden op deze manier gelezen

Slide 29 - Open vraag

Een leerling uit groep 3 leest het woord “muis” nog gespeld als m – ui – s en heeft moeite om het woord vloeiend te lezen. Hij begrijpt het woord pas nadat de leerkracht het voordoet.

Welke leesfase of vaardigheid laat deze leerling zien, en hoe kun je hem helpen om een volgende stap te zetten in zijn ontwikkeling?

Slide 30 - Open vraag

De volgende les.
Wat ga je leren?
De volgende les:
  • Herhalen we de doelen rondom taalbeschouwing.
  • Herhalen we de functies van taal.
  • Heb je nog meer doelen die je wilt behandelen?

Belangrijk: Ik stuur je, na elke les, de LessonUples naar je toe. Herhalen is belangrijk.



Slide 31 - Tekstslide