BV optellen

1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel
Aan het einde van de les kun je de waarde van cijfers in een getal bepalen en optel- en aftreksommen handig uitrekenen door een passende rekenstrategie te gebruiken.

Slide 2 - Tekstslide

Voorkennis
4.582  “Wat is de 5 waard?”
Wat gebeurt er als ik de 5 en de 8 omdraai?

39 + 28
Wie ziet een slimme manier zonder alles onder elkaar te zetten?

Slide 3 - Tekstslide

Optellen
Een getal geeft een hoeveelheid aan, bijvoorbeeld € 3429.
Een getal bestaat uit cijfers.
Met een DHTE-schema kun je goed zien hoe een getal is opgebouwd.
                



 Dit getal bestaat uit:
In dit getal is de 3 het meest waard, namelijk drieduizend ().
De 9 is het minst waard, namelijk negen ().
D
H
T
E
3
4
2
9

Slide 4 - Tekstslide

Volgorde
In Nederland is de volgorde hoe je het getal zegt en opschrijft niet hetzelfde. In het Engels is het bijvoorbeeld weer anders. Kijk maar: Je zegt negenentwintig, dus eerst zeg je 9 en dan 20.
Maar je schrijft 20+9 = 29     
In het Engels zeg je twentynine, dus 20 en 9, je schrijft zoals je het hoort. 
Best wel lastig als je anderstalig bent. 

Slide 5 - Tekstslide

Wil je bij het optellen en aftrekken sneller rekenen? 
Maak dan gebruik van handig rekenen.



Rijgen: 57 + 15 = 57 + 13 + 2 = 70 + 2 = 72
Rijgen: 57 – 38 = 57 – 30 – 8 = 27 – 8 = 19
Splitsen: 67 + 26 = 60 + 7 + 20 + 6 = 80 + 13 = 93 
Rijgen

Slide 6 - Tekstslide

Splitsen
Splitsen: 67 + 26 = 60 + 7 + 20 + 6 = 80 + 13 = 93 

Slide 7 - Tekstslide

Kolomsgewijs/traditioneel optellen

Slide 8 - Tekstslide

De waarde van een cijfer. De plek van een cijfer in een getal bepaalt hoeveel het cijfer waard is.
Kijk naar het getal 245.638,127:
• 2 = 200.000
• 4 = 40.000
• 5 = 5.000
• 6 = 600
• 3 = 30
• 8 = 8
• 1 = 0,1 → één tiende
• 2 = 0,02 → twee honderdsten
• 7 = 0,007 → zeven duizendsten

Slide 9 - Tekstslide

29+37
Wat kies je: Splitsen/rijgen/kolomsgewijs/traditioneel optellen?
Geef de berekening en waarom?

Slide 10 - Woordweb

4 in 4678 betekent:
A
4.
B
400.
C
40.
D
4000.

Slide 11 - Quizvraag

7 in 6743 betekent:
A
7.
B
700.
C
7000.
D
70.

Slide 12 - Quizvraag

Sleep de getallen van laag naar hoog. 
2897,89
2987,98
2,98882144
29879,123

Slide 13 - Sleepvraag

1.234.567.890,1234
De uitdaging
Wat is de waarde van het getal en kun je het getal uitspreken? 

Slide 14 - Tekstslide

Welke leerling rekent het handigst?
49 + 28



A
Leerling 1: 49 + 20 + 8
B
Leerling 2: 50 + 28 − 1
C
Leerling 3: 40 + 9 + 20 + 8
D
Leerling 4: 49 + 1 + 27

Slide 15 - Quizvraag

Kun jij nu zelf aan de slag met de opgaven?
😒🙁😐🙂😃

Slide 16 - Poll