Hoofdstuk 6 Les 6 / Medicatie









Helpende Plus

Hoofdstuk 6 Medicatie


1 / 49
volgende
Slide 1: Slide
newEditorVerpleging en verzorgingMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 110 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les









Helpende Plus

Hoofdstuk 6 Medicatie


In dit hoofdstuk behandelen we verschillende ziektebeelden die je als Helpende Plus in de praktijk kunt tegenkomen. Het is niet de bedoeling dat je alle medische details kent, maar wel dat je begrijpt wat een ziekte inhoudt en welke gevolgen deze kan hebben voor een cliënt. We kijken daarom steeds naar wat je kunt herkennen en wat belangrijk is in de dagelijkse zorg. Veel van jullie zullen een aantal van deze ziektebeelden al tegenkomen op het werk. Die praktijkervaring gaan we tijdens de les gebruiken.

Inhoud van de les

  • Medicijnen en medicatieveiligheid

  • Medicatieoverzicht en toedienlijst

  • BEM

  • GDS/baxter en losse medicatie

  • Medicatievormen en toedieningswijzen

  • Bijwerkingen en interacties

  • Bijzondere situaties en medicatiefouten

  • Praktische handelingen

In dit hoofdstuk staat veilig omgaan met medicatie centraal. Studenten leren zowel de belangrijkste basiskennis als wat hun eigen rol als Helpende Plus is. Theorie wordt gekoppeld aan het controleren van medicatie en het werken met een baxtersysteem. De praktische handelingen worden volgens protocol geoefend.

Leerdoelen

Na deze les:

Je hebt basiskennis van:

  • soorten, vormen, werking en bijwerkingen van medicijnen;

  • houdbaarheid, bewaren en medicijnafval;

  • aandoeningen aan de zintuigen in relatie tot druppels en zalven.


Je kunt:

  • werken met een toedienlijst, medicatieoverzicht en baxtersysteem;

  • medicijnen controleren, aanreiken en registreren;

  • bijwerkingen en interacties signaleren;

  • medicatie op verschillende manieren toedienen.

De Helpende Plus hoeft geen uitgebreide farmacologische kennis te hebben. Basiskennis is wel nodig om medicatie veilig aan te reiken of toe te dienen en veranderingen bij een cliënt te kunnen signaleren. Bij de praktische handelingen wordt gewerkt volgens de geldende protocollen.

Terugblik | Ziekten

Vorige week ging het over ziekten.


We bespraken onder andere:

  • verschillende ziektebeelden;

  • wat je bij een cliënt kunt observeren;

  • welke gevolgen een ziekte kan hebben;

  • hoe je daar als Helpende Plus rekening mee houdt.


Vandaag maken we de stap van ziekte naar medicatie.

Ziekten en medicatie hangen in de praktijk vaak met elkaar samen. Een cliënt kan medicijnen gebruiken om een ziekte te behandelen, klachten te verminderen, een tekort aan te vullen of problemen te voorkomen. Als Helpende Plus is het daarom belangrijk om niet alleen een medicijn aan te reiken, maar ook veranderingen en bijzonderheden bij de cliënt te signaleren.

Welke ziekten hebben we vorige week behandeld?

Vul zoveel mogelijk ziektebeelden in die je nog weet.

COPD
Diabetes
Dementie

Oedeem, spataderen, trombose

Depressie, delier
Reuma
CVA
Parkinson
Kanker/oncologie

Medicatie | Een verantwoordelijke taak

Als Helpende Plus mag je zelfstandig medicijnen aanreiken. Dat vraagt zorgvuldig werken.


Belangrijk

  • Geef alleen medicijnen die op de actuele toedienlijst staan.

  • Geef niet zelf zomaar een zelfzorgmiddel.

  • Controleer altijd de gegevens van de cliënt en de medicatie.

  • Volg de afspraken en protocollen van de organisatie.

  • Signaleer bijzonderheden en geef deze door.






Ook een vrij verkrijgbaar medicijn mag je als zorgverlener niet zomaar geven.

De arts is verantwoordelijk voor het voorschrijven van medicijnen wanneer een zorgprofessional betrokken is bij het beheren of toedienen ervan. De apotheek zorgt voor de medicijnen en een actuele toedienlijst. Geen enkel medicijn is zonder risico, zeker niet wanneer een cliënt meerdere geneesmiddelen gebruikt. Ook zelfzorgmiddelen, zoals het voorbeeld melatonine uit de theorie, moeten op de actuele toedienlijst staan voordat de zorgverlener deze geeft.

Soorten medicijnen

Medicijnen kun je op verschillende manieren verkrijgen.


UR-medicijnen

  • Alleen op recept van een arts.

  • Verkrijgbaar via de apotheek.

  • Gebruik vindt plaats onder medische begeleiding.


NR-medicijnen

  • Zonder recept verkrijgbaar.

  • Bijvoorbeeld paracetamol.

  • Ook wel zelfzorgmedicijnen genoemd.


Belangrijk
Als zorgverlener geef je ook een zelfzorgmedicijn alleen als het op de actuele toedienlijst staat.

UR betekent uitsluitend recept en NR betekent niet-receptplichtig. NR-medicijnen zijn volgens de theorie relatief veilig om zonder tussenkomst van een arts te gebruiken. Toch mag een zorgverlener deze niet zomaar aan een cliënt geven. Ook zelfzorgmedicatie en zo nodig-medicatie moeten op de toedienlijst staan.


Mevrouw De Vries gebruikt iedere avond medicijnen die op haar toedienlijst staan.

Ze zegt:


“Ik slaap de laatste tijd slecht. Mijn dochter heeft melatonine voor mij gekocht. Wil jij die vanavond ook geven?”

A

Je geeft de melatonine, omdat het een zelfzorgmiddel is.

B

Je geeft de melatonine als mevrouw deze eerder heeft gebruikt.

C

Je geeft de melatonine niet, zolang deze niet op de toedienlijst staat.

D

Je geeft de melatonine en noteert daarna zelf de verandering.

Ook een zelfzorgmiddel zoals melatonine mag de zorgverlener niet zomaar geven. Volgens de theorie moeten alle medicijnen die door de zorg worden gegeven op de actuele toedienlijst van de apotheek staan. Dit geldt ook voor vrij verkrijgbare middelen en zo nodig-medicatie.

Werkzame stof en hulpstoffen

Een medicijn bestaat uit:


Werkzame stof
De stof die zorgt voor de werking van het medicijn.


Hulpstoffen
Stoffen die bijvoorbeeld zorgen voor vorm, stevigheid of voldoende volume.


Een arts schrijft meestal de werkzame stof voor.


De apotheek kan een origineel medicijn of een generiek medicijn leveren.


Generiek medicijn
Bevat dezelfde werkzame stof en heeft dezelfde werking als het oorspronkelijke medicijn.

Een medicijn kan één of meerdere werkzame stoffen bevatten. Hulpstoffen hebben volgens de theorie geen invloed op de werking van het medicijn zelf, maar kunnen bijvoorbeeld als bindmiddel worden gebruikt. Dezelfde werkzame stof kan door verschillende fabrikanten worden geproduceerd. Een generiek medicijn is meestal goedkoper dan het oorspronkelijke medicijn en wordt door de overheid gecontroleerd op kwaliteit.

Indicatie en contra-indicatie

Indicatie

De ziekte, aandoening of klacht waarvoor een medicijn wordt voorgeschreven.


Contra-indicatie

Een ziekte of aandoening waardoor een medicijn niet of niet zonder meer gebruikt kan worden.


Een medicijn kan een bestaande aandoening namelijk verergeren.


Voorbeelden van een contra-indicatie:
allergie of hoge bloeddruk.

Bij een indicatie gaat het om de reden waarom iemand het medicijn krijgt. Bij een contra-indicatie is er een reden waarom het gebruik van een bepaald medicijn niet geschikt kan zijn. De theorie noemt allergie en hoge bloeddruk als veelvoorkomende voorbeelden. Contra-indicaties zijn belangrijke informatie bij veilig medicijngebruik.

Dosering

Dosering = de hoeveelheid medicijn die een cliënt per keer moet gebruiken.


Een arts bepaalt de dosering onder andere op basis van:

  • de aandoening;

  • het gewicht;

  • de leeftijd;

  • de ernst van de klachten.


Een medicijn kan één, twee of meerdere keren per 24 uur worden voorgeschreven.

Houd je altijd aan de voorgeschreven dosering.

De dosering geeft aan hoeveel van een medicijn per keer gebruikt moet worden. De arts bepaalt welke dosering nodig is. Een verkeerde hoeveelheid kan gevolgen hebben voor de werking en veiligheid van het medicijn. Daarom mag de voorgeschreven dosering niet op eigen initiatief worden veranderd.

Houdbaarheid | LOT en EXP

Medicijnen zijn beperkt houdbaar.


LOT / MFD
Geeft informatie over wanneer het medicijn is gemaakt.


EXP
Geeft aan tot wanneer het medicijn gebruikt kan worden.


Staat bij EXP alleen een maand vermeld?
Dan is het medicijn volgens de theorie bruikbaar tot het einde van die maand.


Controleer bij losse medicatie altijd de houdbaarheid.

Medicijnen kunnen na verloop van tijd hun werking verliezen en volgens de theorie kan het gebruik van oude medicijnen gevaarlijk zijn. LOT en MFD verwijzen naar productiegegevens; de manier waarop fabrikanten deze noteren kan verschillen. EXP staat voor de uiterste gebruiksdatum. Bij losse medicatie moet daarom ook de houdbaarheid worden gecontroleerd.

Op de verpakking staat:
LOT 19 C 20
EXP. 1/5/2022

Wanneer werd het medicijn gemaakt?

A

19 maart 2020

B

20 januari 2019

C

20 maart 2019

D

1 mei 2022

19 staat voor het jaar 2019. De letter C is de derde letter en staat voor de derde maand, maart. 20 is de dag. LOT 19 C 20 betekent dus 20 maart 2019. EXP. 1/5/2022 geeft de uiterste gebruiksdatum aan.

Medicijnen bewaren en weggooien

Medicijnen bewaren

  • Bewaar medicijnen in de originele verpakking.

  • De meeste medicijnen bewaar je koel en donker.

  • Sommige medicijnen moeten in de koelkast worden bewaard.

  • Binnen een zorginstelling worden medicijnen veilig opgeborgen, bijvoorbeeld in een medicijnkast of medicijnkar.


Medicijnen weggooien

Medicijnen horen bij het chemisch afval.

Ongebruikte of verlopen medicijnen:

  • terugbrengen naar de apotheek, of

  • inleveren bij het chemisch afval.


Medicijnen die voor één cliënt zijn voorgeschreven, mogen niet door een andere cliënt worden gebruikt.

De manier van bewaren hangt af van het medicijn. Medicijnen blijven in de originele verpakking zodat belangrijke informatie beschikbaar blijft. Volgens de theorie zijn tabletten en capsules maximaal twee jaar houdbaar, zetpillen één jaar en zijn dranken, oor- en oogdruppels na openen meestal maximaal één maand houdbaar. Ongebruikte of verlopen medicijnen worden niet opnieuw gebruikt, maar veilig afgevoerd via de apotheek of het chemisch afval.

De medicatieketen

Van voorschrijven tot innemen

Bij medicatie zijn verschillende zorgverleners betrokken.


Arts

  • schrijft het medicijn voor.

Apotheek

  • maakt het medicijn klaar;

  • levert het medicijn.

Zorgverlener

  • maakt afspraken met de cliënt over ondersteuning;

  • zet medicatie uit;

  • reikt medicatie aan of dient deze toe;

  • registreert;

  • signaleert problemen en bijzonderheden.


De cliënt is onderdeel van het hele medicatieproces.

Het medicatieproces bestaat uit alle handelingen vanaf het voorschrijven van een medicijn tot en met het gebruik door de cliënt. De medicatieketen bestaat volgens de theorie uit de voorschrijvende arts, de apotheek en de zorgverlener. De zorgverlener heeft daarnaast een signalerende taak en bespreekt problemen met de cliënt en andere betrokken zorgverleners. Goede samenwerking in de medicatieketen is belangrijk voor veilig medicijngebruik.

Toedienlijst en medicatieoverzicht

Toedienlijst

Gebruik je bij het aanreiken en toedienen van medicatie.

Hierop staat onder andere:

  • naam van de cliënt;

  • naam, sterkte en dosering van het medicijn;

  • dag en tijdstip van toediening;

  • instructies;

  • ruimte om af te tekenen.


Medicatieoverzicht

Geeft een totaalbeeld van het medicijngebruik van de cliënt.

Hierop staat onder andere:

  • voorgeschreven en gebruikte medicijnen;

  • wijzigingen in medicatie;

  • contra-indicaties en allergieën;

  • belangrijke cliënt- en voorschrijvergegevens.

De toedienlijst is bedoeld voor het veilig aanreiken, toedienen en registreren van medicijnen. De apotheek is volgens de theorie verantwoordelijk voor een actuele toedienlijst. Het medicatieoverzicht bevat uitgebreidere informatie over het medicijngebruik en wordt gebruikt voor een zorgvuldige overdracht tussen zorgprofessionals. Een toedienlijst en medicatieoverzicht hebben dus niet dezelfde functie.

BEM

BEM - Beoordeling Eigen beheer van Medicatie

BEM geeft aan hoeveel ondersteuning een cliënt nodig heeft bij zijn medicatie.


BEM 1
Cliënt bestelt en gebruikt de medicatie zelf.

BEM 2
Zorg bestelt, cliënt gebruikt de medicatie zelf.

BEM 3
Cliënt bestelt, zorg helpt gedeeltelijk bij het gebruik.

BEM 4
Zorg bestelt en helpt gedeeltelijk bij het gebruik.

BEM 5
Zorg bestelt, helpt bij het gebruik én houdt toezicht op de inname.

De BEM helpt volgens de theorie om vast te stellen hoeveel verantwoordelijkheid de cliënt zelf heeft bij het bestellen en gebruiken van medicatie en welke ondersteuning de zorg biedt. De ondersteuning loopt op van volledig eigen beheer bij BEM 1 naar veel ondersteuning en toezicht bij BEM 5. De afspraken hierover moeten duidelijk zijn voor de cliënt en de betrokken zorgverleners.

Meneer Bakker kan zijn medicijnen niet meer zelf bestellen. De zorg regelt dit voor hem. Hij weet wel precies wanneer hij zijn medicijnen moet innemen en doet dit verder helemaal zelfstandig.


Welke BEM past volgens de theorie bij deze situatie?

A

BEM 2

B

BEM 3

C

BEM 4

D

BEM 5

Bij BEM 2 bestelt de zorg de medicijnen, maar gebruikt de cliënt deze verder zelfstandig. Bij BEM 3 bestelt de cliënt de medicatie juist zelf en helpt de zorg bij het gebruik. Bij BEM 4 en 5 neemt de zorg zowel het bestellen als een deel van de ondersteuning bij het gebruik over.

GDS | Baxterrol

Geneesmiddelendistributiesysteem (GDS)

Bij een GDS worden medicijnen per innamemoment verpakt in een zakje.

Een baxterrol bevat meerdere zakjes voor een bepaalde periode.


Op ieder zakje staat onder andere:

  • naam of initialen van de cliënt;

  • gegevens van de apotheek;

  • datum en tijdstip;

  • naam en dosering van de medicijnen;

  • omschrijving van de medicijnen.


Niet alle medicijnen kunnen in een baxterzakje.

GDS staat voor geneesmiddelendistributiesysteem. De medicijnen voor één innamemoment zitten samen in een plastic zakje en de zakjes worden op een rol geleverd. Op het zakje staat ook informatie over het uiterlijk van de medicijnen, zoals vorm en kleur. Een GDS maakt het medicatiegebruik overzichtelijker, maar de zorgverlener moet de medicatie nog steeds controleren aan de hand van de toedienlijst.

Medicatie buiten de baxter

Waarom zit niet alles in de baxter?

Sommige medicijnen worden los geleverd.


Bijvoorbeeld:

  • zalven en crèmes;

  • dranken en druppels;

  • inhalatiemedicatie;

  • pleisters;

  • medicijnen die gemakkelijk beschadigen;

  • medicijnen waarvan de dosering regelmatig verandert;

  • tijdelijke medicatie, zoals een antibioticakuur.


Losse medicatie staat óók op de toedienlijst.

Volgens de theorie kunnen sommige medicijnen door hun vorm of grootte niet in een GDS, zoals zalven, dranken, pleisters, poeders en inhalatiemedicatie. Andere medicijnen kunnen beschadigen of de baxtermachine vervuilen. Ook medicatie met een wisselende dosering en tijdelijke medicatie kan buiten het GDS worden geleverd. Daarom moet altijd worden gecontroleerd of naast het baxterzakje nog andere medicatie moet worden gegeven.

Baxter controleren

Voor het aanreiken controleer je:


  1. Is dit de juiste cliënt?

  2. Kloppen datum en tijdstip?

  3. Komen de medicijnen overeen met de toedienlijst?

  4. Klopt het aantal medicijnen in het zakje?

  5. Moet er nog losse medicatie worden gegeven?


Open het zakje pas vlak voor het aanreiken of toedienen.


Na inname teken je af op de toedienlijst.

Volgens de theorie pak je eerst de toedienlijst, het juiste baxterzakje en eventuele medicatie buiten de baxter. Vervolgens controleer je of alles bij de juiste cliënt hoort en of naam, sterkte, aantal en innamemoment overeenkomen. Het baxterzakje wordt pas direct voor het aanreiken of toedienen geopend. Na de inname wordt afgetekend en controleer je of er nog medicatie buiten het GDS moet worden gegeven.

De 6 J’s vormen een vaste controle bij het veilig omgaan met medicatie. De controle wordt bij iedere medicatiehandeling opnieuw uitgevoerd, ook wanneer de zorgverlener de cliënt en de medicatie goed kent. Routine mag nooit een reden zijn om controles over te slaan. De toedienlijst is hierbij een belangrijk uitgangspunt.

Praktijkmoment | Controleer de medicatie

Aan de slag in tweetallen

Je krijgt:

  • een baxterrol of baxterzakje;

  • een toedienlijst;

  • losse oefenmedicatie.


Start met de 6 J’s. Controleer daarna samen:

  • Is het de juiste cliënt?

  • Kloppen datum en tijdstip?

  • Welke medicijnen zitten in het zakje?

  • Klopt het aantal?

  • Komt dit overeen met de toedienlijst?

  • Welke medicatie wordt los gegeven?

  • Wat moet je controleren voordat je aftekent?


Bespreek wat je opvalt.

Bij deze oefening staat het controleren centraal, niet het daadwerkelijk toedienen van medicatie. Studenten oefenen met het vergelijken van het baxterzakje, de toedienlijst en losse medicatie. Hiermee passen zij de stappen uit de theorie direct toe. Laat eventuele verschillen of onduidelijkheden gebruiken om te bespreken waarom je nooit alleen op het baxterzakje vertrouwt.

Vaste medicatievormen

Tablet
Bevat een vaste hoeveelheid werkzame stof met hulpstoffen.

Dragee
Tablet met een glad beschermend laagje. Dit kan bijvoorbeeld de smaak maskeren of de werkzame stof beschermen.

Capsule
Omhulsel van gelatine met poeder of olie. Een capsule mag je niet zomaar openen.

Bruistablet
Wordt vóór gebruik opgelost in water.

Smelttablet
Lost op in de mond.

Zetpil
Wordt via de anus toegediend.

Belangrijk
Breek, maal of open medicatie nooit zonder eerst te controleren of dit mag.

Tabletten bevatten een vaste dosering werkzame stof en hulpstoffen. Een dragee heeft een beschermend laagje dat bijvoorbeeld de smaak kan maskeren, bescherming kan geven tegen maagzuur of ervoor kan zorgen dat het medicijn later uiteenvalt. Capsules kunnen poeder of olie bevatten en mogen niet zonder controle worden geopend, omdat dit de werking kan beïnvloeden. Een bruistablet wordt eerst opgelost in water en een zetpil wordt rectaal toegediend.

Waarom mag je een capsule niet zomaar openen?

A

Omdat de inhoud anders giftig wordt.

B

Omdat de werking van het medicijn kan beinvloeden.

C

Omdat een capsule alleen in de maag mag oplossen.

D

Omdat de dosering daardoor automatisch wordt verdubbeld.

Een capsule kan zo zijn gemaakt dat de werkzame stof op een bepaalde plaats of op een bepaald moment vrijkomt. Openen kan daardoor invloed hebben op de werking. Volgens de theorie moet je daarom altijd eerst controleren in de bijsluiter of navraag doen bij de apotheek voordat een capsule wordt geopend.

Vloeibare en andere medicatievormen

Vloeibare medicatie:

Oplossing
De werkzame stof is volledig opgelost.

Suspensie
De werkzame stof is verdeeld door de vloeistof, maar niet opgelost. Vaak moet deze voor gebruik worden geschud.

Druppels
Kunnen bijvoorbeeld via mond, ogen, oren of neus worden gegeven.


Andere vormen:

Gel - bijvoorbeeld voor huid of ogen.
Spray - bijvoorbeeld voor neus, mond of inhalatie.
Klysma - vloeibare medicatie via de anus.
Medicijnpleister - geeft medicatie via de huid af.

Bij een oplossing is de werkzame stof volledig in de vloeistof opgelost. Bij een suspensie is dit niet het geval en moet de werkzame stof vóór gebruik goed verdeeld zijn; op het etiket kan daarom ‘goed schudden’ staan. Druppels bestaan voor verschillende toedieningsplaatsen. Een klysma wordt rectaal toegediend; Microlax is hiervan een voorbeeld en komt later terug bij de praktische handelingen.

Systemische en lokale werking

Systemische werking

Het medicijn wordt opgenomen in het bloed en verspreidt zich door het lichaam.

Voorbeelden:

  • tablet of capsule via de mond;

  • zetpil via de anus;

  • medicijnpleister via de huid;

  • tablet of spray onder de tong.


Lokale werking

Het medicijn wordt aangebracht op de plaats waar het moet werken.

Voorbeelden:

  • crème of zalf op de huid;

  • oog- of oordruppels;

  • neusspray;

  • inhalatiemedicatie.

Volgens de theorie wordt medicatie met een systemische werking opgenomen in het bloed en door het lichaam verspreid. Bij lokale werking wordt het medicijn rechtstreeks aangebracht op de plaats waar het moet werken. De toedieningsvorm en toedieningsweg worden voorgeschreven en kies je niet zelf.

Waarom krijgt iemand medicijnen?

Medicijnen kunnen verschillende doelen hebben.


Curatief
Bestrijdt de ziekte.
Bijvoorbeeld antibiotica bij een longontsteking.

Symptoombestrijdend
Vermindert klachten.
Bijvoorbeeld pijnmedicatie na een operatie.

Suppletief
Vult een tekort aan.
Bijvoorbeeld Thyrax bij een tekort aan schildklierhormoon.

Preventief
Helpt ziekte of problemen voorkomen.
Bijvoorbeeld antistollingsmedicatie om trombose te voorkomen.

De theorie onderscheidt verschillende doelen van medicatie. Curatieve medicatie is gericht op het bestrijden van een ziekte, terwijl symptoombestrijdende medicatie de gevolgen of klachten vermindert. Suppletieve medicatie vult een tekort aan en preventieve medicatie wordt gebruikt om problemen te voorkomen. Daarnaast noemt de theorie diagnostische middelen die kunnen worden gebruikt bij het stellen van een diagnose.

Bijwerkingen en interacties

Bijwerking

Een ongewenste werking van een medicijn.

Bijvoorbeeld:

  • maag- en darmklachten;

  • duizeligheid;

  • hoofdpijn;

  • overgevoeligheid of allergische reactie.


Interactie

Medicijnen of andere middelen beïnvloeden elkaars werking.

Hierdoor kan een medicijn:

  • sterker werken;

  • minder sterk werken;

  • meer bijwerkingen geven.


Ook alcohol en bepaalde voedingsmiddelen kunnen invloed hebben.

Bijwerkingen kunnen direct na het starten optreden, maar volgens de theorie ook pas na langdurig gebruik. Interacties ontstaan wanneer middelen invloed hebben op elkaars werking. De theorie noemt als voorbeeld grapefruit in combinatie met bepaalde cholesterolverlagende medicijnen. De arts en apotheek controleren op mogelijke interacties.

Signaleren bij medicatie

Wat doe je als Helpende Plus?


Let extra goed op wanneer:

  • een cliënt nieuwe medicatie krijgt;

  • een cliënt nieuwe klachten krijgt;

  • gedrag of alertheid verandert;

  • huiduitslag of jeuk ontstaat;

  • de cliënt minder eet;

  • de cliënt opvallend slaperig of duizelig wordt.


Observeer - rapporteer - geef bijzonderheden door.

Volgens de theorie moet je bij nieuwe klachten altijd alert zijn op een mogelijke relatie met medicatie, vooral wanneer recent een nieuw medicijn is gestart. Vraag zo nodig welke bijwerkingen belangrijk zijn om te observeren en lees de bijsluiter. Observaties worden vastgelegd in het zorgplan of rapportagesysteem en besproken met de verantwoordelijke zorgverlener of arts.

Een cliënt is drie dagen geleden gestart met een nieuw medicijn. Vandaag merk je dat hij erg duizelig is en veel slaperiger dan normaal.


Wat doe je als Helpende Plus?

A

Je stopt het medicijn totdat de client zich beter voelt en je rapporteert en geeft het door.

B

Je wacht enkele dagen om te kijken of het vanzelf overgaat en rapporteert dit.

C

Je geeft de volgende dosis wat later dan afgesproken en rapporteert dit.

D

Je signaleert de verandering, rapporteert en geeft het door.

Nieuwe klachten kunnen een bijwerking van medicatie zijn. De Helpende Plus signaleert en rapporteert veranderingen en geeft deze door. Je verandert of stopt voorgeschreven medicatie niet zelfstandig. Bij nieuwe klachten na het starten van medicatie is extra alertheid belangrijk.

Bijzondere situaties

Wat als medicatie innemen niet goed gaat?


Slikproblemen

  • Geef eventueel eerst wat water.

  • Laat de cliënt het hoofd tijdens het slikken iets naar voren houden.

  • Blijven er problemen? Geef dit door.

Breken, malen of openen

  • Doe dit alleen als je zeker weet dat het mag.

  • Controleer dit altijd eerst.

Cliënt weigert medicatie

  • Blijf rustig.

  • Leg uit waarom de medicatie nodig is.

  • Probeer het eventueel later opnieuw.

  • Blijft de cliënt weigeren? Geef dit door.

Braken of diarree
Kan invloed hebben op de opname van medicatie. Overleg bij twijfel.

Niet alle tabletten mogen worden gebroken of fijngemalen en capsules mogen niet zomaar worden geopend. Volgens de theorie moet hierover eerst worden overlegd met de apotheek. Bij weigering blijf je rustig en probeer je de cliënt goed te informeren. Braken en diarree kunnen invloed hebben op de opname van medicijnen; overleg dan met de arts.

Richard werkt als Helpende Plus in een VVT-instelling. Mevrouw Van Wijk heeft moeite met slikken en vraagt of hij haar tramadoltablet in vier kleine stukjes kan breken.


Wat moet Richard doen?

A

De tablet in vieren breken, omdat mevrouw hier zelf om vraagt.

B

De tablet fijnmaken, zodat mevrouw deze makkelijker kan innemen.

C

Eerst controleren of deze tramadoltablet gebroken mag worden.

D

De tablet overslaan en dit aan het einde van de dienst rapporteren.

Medicatie mag niet zomaar worden gebroken of fijngemalen. Bij sommige tabletten kan hierdoor de manier waarop de werkzame stof vrijkomt veranderen. Controleer daarom altijd eerst of de tablet gebroken mag worden en raadpleeg zo nodig de apotheek. Bij slikproblemen kan worden bekeken of een andere medicatievorm mogelijk is.

De theorie onderscheidt fouten bij voorschrijven, afleveren en toedienen. Voor de Helpende Plus zijn vooral fouten tijdens het aanreiken, toedienen en registreren belangrijk. Ook weigering van medicatie moet worden gerapporteerd. Fouten en bijna-fouten worden volgens de richtlijnen van de organisatie gemeld, zodat ervan geleerd kan worden.

Manieren van toedienen

Medicatie kan op verschillende manieren worden toegediend


Oraal - via de mond
Rectaal - via de anus
Dermaal - op de huid
Transdermaal - via de huid naar het lichaam
Oculair - via het oog
Nasaal - via de neus
Pulmonaal - via de longen
Sublinguaal - onder de tong


Belangrijk
De juiste toedieningsweg is één van de 6 J's.

De toedieningsweg bepaalt op welke manier een medicijn wordt toegediend. Je kiest of verandert de toedieningsweg niet zelf. De voorgeschreven toedieningsweg wordt vóór iedere medicatiehandeling gecontroleerd. De verschillende medicatievormen hebben de studenten op eerdere dia's al behandeld.

Gewenning en afhankelijkheid

Gewenning

Het lichaam raakt gewend aan een medicijn. Soms is daardoor meer nodig voor hetzelfde effect.


Afhankelijkheid

Iemand kan lichamelijk of psychisch afhankelijk worden van een medicijn.

Voorbeelden:

  • morfine;

  • slaapmiddelen;

  • kalmeringsmiddelen.


Stop of verander medicatie nooit zelf.

Bij gewenning kan steeds meer van een middel nodig zijn om hetzelfde effect te bereiken. Bij afhankelijkheid kunnen bij stoppen klachten ontstaan, zoals zweten, trillen en onrust. De theorie noemt onder andere morfine, slaapmiddelen en oxazepam. Afbouwen gebeurt onder begeleiding van de arts.

Praktische handelingen

Deze handelingen gaan we allemaal oefenen dit jaar.

  • orale medicatie aanreiken;

  • zalf aanbrengen op de huid;

  • oogdruppels en oogzalf toedienen;

  • oordruppels toedienen;

  • neusdruppels toedienen;

  • Microlax toedienen.


Bij iedere handeling:
eerst de 6 J's controleren en daarna werken volgens protocol.

Bij de praktische handelingen worden de stappen uit het geldende protocol gevolgd. Bij oogmedicatie is hygiëne belangrijk en mag het flesje het oog, ooglid of de vingers niet raken. Bij huidmedicatie worden handschoenen gebruikt om opname via de eigen huid te voorkomen. Bij oor-, neus- en rectale medicatie gelden eveneens specifieke aandachtspunten die tijdens het oefenen aan de hand van het protocol worden behandeld.

Naslagdia - Oogmedicatie

Voor je begint

  • Controleer de 6 J’s.

  • Neem het Vilans-protocol door.

  • Pas handhygiëne toe.


Bij de handeling

  • Maak de ogen zo nodig schoon.

  • Gebruik voor ieder oog een schoon gaasje.

  • Leg het dopje van het flesje of de tube op een schoon gaasje.

  • Trek het onderste ooglid voorzichtig naar beneden.

  • Druppel of breng de zalf aan in het ontstane gootje.

  • Raak oog, ooglid of wimpers niet aan met het flesje of de tube.


Filmpje - ter naslag thuis te bekijken, kan afwijken van de Vilans protocol

Oogmedicatie wordt rechtstreeks in of bij het oog aangebracht. Besmetting moet worden voorkomen, daarom mag de verpakking het oog of de huid niet raken. Bij twee verschillende soorten oogdruppels noemt de theorie minimaal vijf minuten tussen beide middelen. Controleer voor houdbaarheid na openen altijd de verpakking en het geldende protocol.

Deze slide heeft geen instructies

Naslagdia - Neusmedicatie

Voor je begint

  • Controleer de 6 J’s.

  • Neem het Vilans-protocol door.

  • Pas handhygiëne toe.


Bij de handeling

  • Laat de cliënt zo nodig eerst de neus snuiten.

  • Controleer in welk neusgat de medicatie moet.

  • Dien het voorgeschreven aantal druppels of de voorgeschreven spray toe.

  • Raak de neus niet aan met het flesje of de tuit.

  • Let op de juiste houding van de cliënt.

  • Registreer de medicatie na toediening.


Filmpje - ter naslag thuis te bekijken

Neusmedicatie kan bestaan uit druppels, spray of zalf. Voor het toedienen wordt de neus zo nodig gesnoten. De juiste houding en wijze van toedienen zijn afhankelijk van het middel. Werk volgens het Vilans-protocol en voorkom dat de verpakking de neus raakt.

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Ter naslag – Oordruppels

Voor je begint

  • Controleer de 6 J’s.

  • Neem het Vilans-protocol door.

  • Pas handhygiëne toe.


Bij de handeling

  • Controleer welk oor behandeld moet worden.

  • Dien het voorgeschreven aantal druppels toe.

  • Raak het oor niet aan met het flesje.

  • Laat de cliënt het hoofd schuin houden of op de zij liggen.

  • Laat de cliënt na het druppelen nog even in deze houding blijven.

  • Registreer de medicatie na toediening.


Filmpje – ter naslag thuis te bekijken

Volgens de theorie blijft de cliënt na het druppelen ongeveer vijf tot tien minuten in de juiste houding. Hierdoor krijgen de druppels de tijd om zich in de gehoorgang te verspreiden. Achter de oorlel kan voorzichtig worden bewogen of gemasseerd. Controleer altijd of het juiste oor wordt behandeld.

Deze slide heeft geen instructies

Ter naslag – Rectale medicatie

Voor je begint

  • Controleer de 6 J’s.

  • Neem het Vilans-protocol door.

  • Pas handhygiëne toe.

  • Zorg voor voldoende privacy.


Bij de handeling

  • Leg de handeling vooraf uit aan de cliënt.

  • Help de cliënt in de juiste houding.

  • Draag handschoenen.

  • Dien de zetpil of het klysma volgens protocol toe.

  • Observeer hoe de cliënt reageert.

  • Registreer de medicatie na toediening.



  • Zetpil
    Vaste medicatie via de anus.

  • Microlax
    Klein klysma dat wordt gebruikt bij obstipatie.

Rectale medicatie kan bestaan uit een zetpil of een klysma. Volgens de theorie wordt de cliënt voor deze handelingen meestal op de linkerzij geholpen. Microlax trekt vocht aan en maakt de ontlasting zachter. Vanwege het intieme karakter zijn uitleg, privacy en respect voor de cliënt extra belangrijk.

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelencheck

Kun jij nu...


  • uitleggen wat belangrijk is bij veilig medicijngebruik?

  • werken met een toedienlijst en baxter?

  • de 6 J's toepassen?

  • verschillende medicatievormen herkennen?

  • lokale en systemische werking uitleggen?

  • bijwerkingen en interacties signaleren?

  • uitleggen wat je doet bij slikproblemen, weigering of een medicatiefout?


Wat vind je nog lastig?

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk en vooruitblik

Voor thuis

Voor Hoofdstuk 6 Medicatie:

  • Lees de theorie goed door.

  • Maak de opdrachten van hoofdstuk 6.

  • Bekijk eventueel de filmpjes bij de praktische handelingen ter naslag.


Volgende week

Hoofdstuk 7 Wondzorg

We gaan verder met de theorie en vaardigheden rondom wondzorg.



Bekijk de naslag filmpjes thuis samen met de Vilans protocollen.

De filmpjes kunnen namelijk wat afwijken volgens de vastgestelde protocollen.

De filmpjes bij de praktische medicatiehandelingen zijn bedoeld als aanvulling op de theorie en kunnen thuis worden bekeken. In deze les is alleen praktisch geoefend met de baxter, losse medicatie en de toedienlijst. De opdrachten van hoofdstuk 6 helpen studenten om de behandelde theorie zelfstandig te verwerken.