Les 3 - Dutch for every day

Dutch for every day

1 / 30
volgende
Slide 1: Slide
newEditorCommunicatieHBOStudiejaar 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Dutch for every day

Open met het idee dat studenten vandaag drie heel praktische situaties leren: iets bestellen, over het weer praten en de weg vragen. Houd het tempo hoog; dit is een korte overlevingsles.

Lesdoel

I can use simple Dutch words and sentences to order coffee, ask about the weather, and ask for directions.

Deze slide heeft geen instructies

Repetition:

From greeting to farewell


Goedemorgen!


Hoe gaat het?


Goed, dank je!


Tot ziens!

Gebruik dit als compact model van een natuurlijk mini-gesprek.

Repetition: A full conversation

Hoi!

Goedemorgen!

Hoe heet je?

Ik ben Aafke. Hoe heet jij?

Ik ben Gijs.

Leuk je te ontmoeten!

Tot ziens!

Gebruik dit als afsluitend model waarin alle kernzinnen uit de les samenkomen.

Do as I say


Ga staan


Kom hier


Kijk


Ga zitten

Deze slide heeft geen instructies

What is a positive reaction (from a teacher)?

A

Heel goed

B

Goedemorgen

C

Goed gedaan

D

Goedenavond

Deze slide heeft geen instructies

Positive reactions from the teacher




  • Heel goed — very good

  • Goed gedaan — well done

Deze slide heeft geen instructies

What is your reaction when a child says


  • Ik snap het niet


  • Mag ik naar de wc?


  • Ik ben klaar


Practice with your shoulder buddy

Deze slide heeft geen instructies

What is your reaction when a child says


  • Ik snap het niet - Geen probleem / Luister goed / Probeer het nog een keer


  • Mag ik naar de wc? - Ja, (natuurlijk)


  • Ik ben klaar - Goed gedaan!

Deze slide heeft geen instructies

Which Dutch words do you already know about coffee, weather, or directions?

Gebruik dit als korte activatie. Verwachte antwoorden: koffie, thee, regen, links, rechts, station, dank u wel. Pak 3-4 woorden uit de cloud terug in de les.

Koffie bestellen:

the most important words


  • koffie = coffee

  • thee = tea

  • water = water

  • melk = milk

  • suiker = sugar

Benadruk de uitspraak van koffie, thee en suiker. Laat zien dat de les in het Engels wordt ondersteund, maar dat de Nederlandse woorden centraal staan.

Koffie bestellen:

useful phrases


  • Een koffie, alstublieft. = A coffee, please.

  • Mag ik een thee? = May I have a tea?

  • Met melk. = With milk.

  • Zonder suiker. = Without sugar.

  • Dank u wel. = Thank you.

Leg kort uit dat alstublieft beleefd is en in veel situaties veilig te gebruiken is. Noem ook dat dank je wel informeler is, maar hier niet centraal hoeft te staan.

Koffie bestellen: mini-dialogue

Employee: Wat wilt u? (What do you want?)

Student: Een koffie, alstublieft. (A coffee, please)


Employee: Met melk? (With milk?)

Student: Ja, met melk. (Yes, with milk)


Employee: Nog suiker? (Any sugar?)

Student: Nee, zonder suiker. (No, without sugar)

Licht toe dat studenten niet elk woord hoeven te begrijpen; het doel is herkenning en bruikbare chunks. Wijs op met en zonder als bouwstenen.

Koffie bestellen: wat je vaak hoort

  • Wat wilt u? = What would you like?

  • Nog iets? = Anything else?

  • Hier is uw koffie. = Here is your coffee.

  • Pinnen of contant? = Card or cash?

Deze slide helpt bij luisterherkenning. Leg uit dat studenten niet alleen moeten leren wat zij zeggen, maar ook wat ze waarschijnlijk terughoren.

Wat zeg je beleefd als je koffie wilt bestellen?

A

Het is koud.

B

Een koffie, alstublieft.

C

Ga rechtdoor.

D

Waar is het station?

Toetst of studenten de bestelformule herkennen en niet verwarren met zinnen uit andere subthema's.

Over het weer praten: the most important words


  • het weer = the weather

  • zon = sun

  • regen = rain

  • wind = wind

  • koud / warm = cold / warm

Koppel dit aan Nederland als herkenbare context: wisselvallig weer maakt deze woordenschat direct bruikbaar.

What question means: Is it raining?

A

Hoe is het weer?

B

Is er zon?

C

Regent het?

D

Is het warm?

Controleert kernbegrip van de weer-vragen. De afleiders komen uit dezelfde slidegroep.

What question means: Is it warm?

A

Hoe is het weer?

B

Is er zon?

C

Regent het?

D

Is het warm?

Controleert kernbegrip van de weer-vragen. De afleiders komen uit dezelfde slidegroep.

What question means: Is it sunny?

A

Hoe is het weer?

B

Is er zon?

C

Regent het?

D

Is het warm?

Controleert kernbegrip van de weer-vragen. De afleiders komen uit dezelfde slidegroep.

Over het weer praten: questions

  • Hoe is het weer? = What is the weather like?

  • Regent het? = Is it raining?

  • Is het koud buiten? = Is it cold outside?

  • Is er zon? = Is it sunny?

Benadruk dat korte ja/nee-vragen vaak het makkelijkst zijn voor beginners. Buiten is een nuttig extra woord, maar houd de focus op de hele zin.

Over het weer praten: answers

  • Het is mooi weer. = The weather is nice.

  • Het regent. = It is raining.

  • Het is koud. = It is cold.

  • Het is warm. = It is warm.

  • Er is veel wind. = It is very windy.

Wijs op het vaste begin Het is... als bruikbaar patroon. Dat helpt studenten sneller zelf zinnen bouwen.

Over het weer praten: mini-dialogue


Student A: Hoe is het weer?

Student B: Het is koud.


Student A: Regent het?

Student B: Nee, maar er is veel wind.

Maak duidelijk dat dit soort korte gesprekjes sociaal nuttig zijn: bij een bushalte, op school of aan het begin van een gesprek.

De weg vragen: the most important words

  • de weg = the way

  • links = left

  • rechts = right

  • rechtdoor = straight ahead

  • straat = street

Spreek rechtdoor rustig voor; dat woord is vaak nieuw en lang. Laat studenten vooral de richtingwoorden onthouden.

De weg vragen: useful phrases

  • Waar is het station? = Where is the station?

  • Kunt u mij helpen? = Can you help me?

  • Ik zoek de supermarkt. = I am looking for the supermarket.

  • Hoe kom ik daar? = How do I get there?

Leg uit dat Kunt u mij helpen? een beleefde opener is die in veel situaties werkt, ook buiten de lesonderwerpen.

De weg vragen: aanwijzingen begrijpen

  • Ga links. = Go left.

  • Ga rechts. = Go right.

  • Ga rechtdoor. = Go straight ahead.

  • Het is dichtbij. = It is nearby.

  • Het is ver. = It is far.

Benadruk opnieuw de luisterkant: studenten moeten niet alleen vragen kunnen stellen, maar ook eenvoudige aanwijzingen kunnen herkennen.

What does rechtdoor mean?

A

nearby

B

left

C

right

D

straight ahead

Klassieke verwarring met links en rechts. Goed moment om de richtingwoorden hardop te herhalen.

De weg vragen: mini-dialogue


Student: Waar is het station?

Persoon: Ga rechtdoor en ga links.


Student: Is het ver?

Persoon: Nee, het is dichtbij.

Houd het functioneel: één route, twee richtingen, één afstandswoord. Meer complexiteit is voor een langere les.

Which two Dutch words help you the most on the street?

Bespreek of studenten één bruikbare vraag en één richting of afstandswoord kunnen combineren, bijvoorbeeld: 'Waar is het station?' plus 'links', 'rechtdoor' of 'dichtbij'.

Thank you for your eagerness to learn





TOT ZIENS!

Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

alstublieft - beleefd woord voor please / here you are

dank u wel - beleefde manier om thank you te zeggen

het weer - de omstandigheden buiten, zoals zon, regen of wind

regen - water dat uit de lucht valt

rechtdoor - recht vooruit, zonder links of rechts af te slaan

station - plaats waar treinen aankomen en vertrekken

zoeken - proberen iets of iemand te vinden

Deze slide heeft geen instructies