3. Normen en waarden: luister naar jezelf (ISK/NT2)

Les 3: Luister naar jezelf

NORMEN

&

WAARDEN

Actief! Burgerschap

ISK / NT2

1 / 19
volgende
Slide 1: Slide
newEditorMentorlesBurgerschap+2ISK

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Introductie

Les 3 van het thema Normen & Waarden van Actief!, aangepast voor ISK en NT2. In deze les staat de leerling zelf centraal. Leerlingen denken in eenvoudig Nederlands na over wat zij belangrijk vinden en wat ze willen bereiken, leren drie tips om voor zichzelf op te komen en oefenen met nee zeggen en hun grens aangeven. Ze leren dat hun grens ook een recht is en bij wie ze hulp kunnen vragen. Met woordenlijst, zinsstarters en opdrachten in korte stappen met pictogrammen. Sluit aan bij de SLO-kerndoelen burgerschap 18A (democratische oefenplaats), 19A (basiswaarden van de democratische rechtsstaat), 19B (diversiteit in de samenleving) en 20B (maatschappelijke betrokkenheid), en bij LOWAN Burgerschap op de ISK, dimensie 2 (diversiteit samenleving) en 4 (maatschappelijke betrokkenheid).

Instructies

Onderdelen in deze les

Les 3: Luister naar jezelf

NORMEN

&

WAARDEN

Actief! Burgerschap

ISK / NT2

Deze slide heeft geen instructies

Hoe werkt het?

  • Dit weet je al

  • Dit leer je nu

  • Doen

  • Terugkijken

  • Kijken

  • Klik hier

  • Afbeelding vergroten

Deze slide heeft geen instructies

In de vorige les leerde je:

  • goed luisteren naar een ander.

  • een ander in zijn waarde laten.

In de vorige les leerden de leerlingen hoe ze goed kunnen luisteren en hoe ze een ander in zijn waarde laten.

Kijk samen terug: wat waren de 5 stappen van goed luisteren ook alweer? (Kijk naar de ander, knik, laat de ander uitpraten, stel een vraag, reageer vriendelijk.)

Na deze les:

  • Je weet wat jij belangrijk vindt.

  • Je weet wat je wilt.

  • Je kent 3 tips om nee te zeggen en je grens aan te geven.

  • Je weet dat jouw grens ook een recht is.

Deze les denken de leerlingen na over wat ze zelf willen en belangrijk vinden.

Aan het eind van de les kunnen de leerlingen vertellen wie ze zijn, wat ze willen en hoe ze dat willen bereiken. Ook kennen ze drie tips om voor zichzelf op te komen.

Belangrijke woorden

de grens = tot hier, en niet verder

nee zeggen = zeggen dat je iets niet wilt

opkomen voor jezelf = zeggen wat jij wilt of nodig hebt

bereiken = krijgen wat je wilt

zich voelen = hoe het met je gaat: blij, boos, bang …

Lees de woorden samen hardop en laat leerlingen ze herhalen.

Doe 'de grens' voor met je hand: houd je hand omhoog en zeg 'Stop. Tot hier.' Leerlingen mogen de vertaling in hun eigen taal in hun woordenschrift zetten.

Welke WAARDEN

zijn voor jou belangrijk?

Bijvoorbeeld: familie, vriendschap, eerlijkheid, respect

Leerlingen typen één woord per keer. Kijk samen naar het woordweb. Welke woorden staan er vaak? Leg woorden uit die niet iedereen kent.

Jij vindt iets belangrijk. Wat doe je dan?

Zo begin je: Ik vind … belangrijk. Daarom … (Ik vind familie belangrijk. Daarom help ik thuis.)

Voorbeeldantwoorden:

Ik vind school belangrijk. Daarom maak ik mijn huiswerk.

Ik vind gezondheid belangrijk. Daarom sport ik.

Ik vind eerlijkheid belangrijk. Daarom zeg ik nee als iemand wil dat ik lieg.

Bespreek: als je weet wat je belangrijk vindt, kun je ook beter nee zeggen tegen dingen die daar niet bij passen.

Jezelf kennen

  1. Je weet wat jij belangrijk vindt.

  2. Dan weet je wat je wilt.

  3. Dan weet je waar je grens is.

  4. Dan kun je dat zeggen tegen anderen.

Weten welke normen en waarden voor jou belangrijk zijn, zorgt ervoor dat je weet wat je wilt. Daardoor ken je je grenzen en kun je die vertellen aan anderen.

Wat wil ik?

Schrijf op papier:

1. Ik vind __________ belangrijk.

2. Ik wil __________.

3. Daarom doe ik __________.


Voorbeeld: Ik vind school belangrijk. Ik wil later verpleegkundige worden. Daarom leer ik elke dag Nederlands.

Opdracht (5-10 minuten)

Doel: leerlingen denken na over wat ze belangrijk vinden en wat ze doen om dat te bereiken.

Nodig: pen en papier, of het werkblad 'Wat wil ik?' uit de docentenhandleiding.

Leerlingen maken de drie zinnen af. Lees eerst samen het voorbeeld. Leerlingen die nog weinig Nederlands kennen, mogen één woord per zin schrijven of een tekening maken.

Na vijf minuten vertellen leerlingen aan hun buurman of buurvrouw wat ze hebben opgeschreven. Ze stellen elkaar de vraag van de hotspot: wat kan ik nog meer doen om dit te bereiken? Image credit: Hannah Olinger / Unsplash

Iemand wil iets. Jij wilt het niet. Wat doe je?

Zo begin je: Ik zeg … / Ik loop weg. / Ik vraag hulp aan …

Open vraag (5 minuten)

Laat de leerlingen eerst zelf nadenken over hoe ze voor zichzelf kunnen opkomen. Denk aan: nee zeggen, je grens aangeven, een vraag stellen, weglopen, hulp vragen aan een docent of mentor, niet meedoen met iets wat je niet wilt.

Bespreek de antwoorden. Er zijn geen foute antwoorden. Op de volgende slide staan drie tips.

3 tips om voor jezelf op te komen

Oefen nee zeggen

Zeg het kort.

Zeg het vriendelijk.

"Nee, dat wil ik niet."

Zeg je grens

Zeg het meteen.

Zeg het zelf.

"Stop, dit vind ik niet fijn."

Jij bent ook belangrijk

Je hoeft niet altijd ja te zeggen.

Wat jij wilt, telt ook.

Op deze slide staan drie tips om voor jezelf op te komen. Klik om de tips een voor een te laten zien.

Tip 1, oefen nee zeggen: bereid je voor, houd het kort, krachtig en vriendelijk, en houd vol.

Tip 2, zeg je grens: houd het bij jezelf, doe het op het moment zelf, en vertel wat iets met jou doet.

Tip 3, jij bent ook belangrijk: als je altijd doet wat een ander wil, zeg je eigenlijk tegen jezelf dat jouw wensen niet belangrijk zijn.

Laat leerlingen de zinnen tussen aanhalingstekens hardop oefenen, eerst samen, dan in tweetallen.

Nee zeggen is een manier om je grens aan te geven. Meer over grenzen? Kijk bij de methode Mentor, les 3 'Over de grens'.

1

Ja, dat vind ik moeilijk.

2

Soms.

3

Nee, dat vind ik makkelijk.

Vind jij het moeilijk om nee te zeggen?

Vraag leerlingen die het moeilijk vinden: waarom is het moeilijk? Help met woorden als: bang, onaardig, ruzie, vrienden.

Vraag leerlingen die het makkelijk vinden: hoe doe jij dat? Heb je een tip?

Bekijk deze video met de klas: vijf mensen vertellen hoe het voor hen is om nee te zeggen.

Tip voor ISK/NT2: de mensen praten snel. Zet de ondertiteling aan, stop na elke persoon en vat in één zin samen wat die persoon zei. Kijk de video eventueel twee keer.

Op wie uit de video

lijk jij het meest?

1

Persoon 1

2

Persoon 2

3

Persoon 3

4

Persoon 4

5

Persoon 5

1

2

3

4

5

Op wie uit de video lijken de leerlingen het meest?

Vraag daarna: waarom lijk je op die persoon? Zinsstarter: 'Ik lijk op persoon … want …'

Doen: je grens aangeven

  1. Werk met z'n tweeën: A en B.

  2. A en B staan ver uit elkaar.

  3. A loopt langzaam naar B.

  4. B zegt "Stop!" Dan is het dichtbij genoeg.

  5. Wissel.

Oefening om je grens aan te geven

Maak tweetallen: leerling A en leerling B. A staat aan de ene kant van het lokaal, B aan de andere kant. B blijft staan, A loopt langzaam naar B toe. Zodra B vindt dat A dichtbij genoeg is, zegt B 'Stop!'. Kijk daarna samen naar de verschillen.

Bespreek:

Ben je blij met het moment dat je 'Stop' zei?

Had je langer kunnen wachten?

Wachtte je juist te lang?

Keek je naar anderen of alleen naar je eigen gevoel?

Wissel daarna de rollen en bespreek dezelfde vragen. Herhaal eventueel met andere tweetallen: de grens ligt bij iedereen anders.

Tip voor ISK: laat leerlingen zelf kiezen met wie ze de oefening doen. Niet iedereen vindt het prettig om met een jongen of een meisje te oefenen, of om aangeraakt te worden. Meedoen is vrijwillig, en kijken mag ook.

1

😦

2

🙁

3

😐

4

🙂

5

😃

Hoe voelde dat?

Kijk terug op de oefening: hoe voelde dat? Was het moeilijk om je eigen grens aan te geven?

Wil je met je klas meer doen met grenzen stellen? Doe dan les 3 'Over de grens' van de methode Mentor.

Jouw grens is ook een recht

In Nederland staat in de wet: jouw lichaam is van jou. Niemand mag aan je komen als jij dat niet wilt.

Iedereen is gelijk. Jouw grens is net zo belangrijk als de grens van een ander.

Gaat iemand over jouw grens? Je mag hulp vragen. Praat met je mentor of een docent.

Deze dia verbindt de les met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat (kerndoel 19A): vrijheid en gelijkwaardigheid. In de Grondwet staat dat iedereen recht heeft op onaantastbaarheid van zijn lichaam (artikel 11) en dat iedereen gelijk wordt behandeld (artikel 1).

Vertel bij wie leerlingen op school terechtkunnen: de mentor, een docent, de vertrouwenspersoon. Noem de namen.

Let op: dit onderwerp kan bij sommige leerlingen iets losmaken. Houd het algemeen, vraag niet door in de klas, en zoek na de les contact als een leerling geraakt lijkt.

Wat heb je geleerd in deze les?

Zo begin je: Ik heb geleerd dat … / Ik ga voortaan …

Open vraag (5 minuten)

Laat de leerlingen nadenken over wat ze meenemen uit deze les. Bespreek de antwoorden. De antwoorden zijn anoniem.

Deze slide heeft geen instructies