Vragen

1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 2

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Vragen?
VRAGEN?

Slide 2 - Tekstslide

Wat heb je geleerd?

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Als je meer verdient en de prijzen blijven gelijk, dan neemt je welvaart
A
Af
B
Blijft gelijk
C
Toe

Slide 5 - Quizvraag

Welk begrip wordt hier beschreven:
Een stijging van de prijzen

A
Koopkracht
B
Inflatie
C
Welvaart
D
Welzijn

Slide 6 - Quizvraag

Waardoor wordt de hoogte van je koopkracht bepaald? (er kunnen meerdere antwoorden goed zijn)
A
Hoogte van inkomen
B
Hoogte van welvaart
C
Hoogte van salaris
D
Hoogte van prijzen

Slide 7 - Quizvraag

Door inflatie stijgt de koopkracht van geld
A
Juist
B
Onjuist

Slide 8 - Quizvraag

Door de inflatie kan ik...
A
meer besteden
B
minder besteden

Slide 9 - Quizvraag

Het stijgen van de prijzen van goederen en diensten noemen we ...
A
inflatie
B
deflatie

Slide 10 - Quizvraag

Inflatie is dat geld:
A
Meer waard wordt
B
Minder waard wordt

Slide 11 - Quizvraag

Als prijzen van producten stijgen, maar jouw inkomen niet. Wat gebeurt er dan met je koopkracht?
A
Je koopkracht wordt minder
B
Je koopkracht wordt meer
C
Je koopkracht blijft gelijk

Slide 12 - Quizvraag

De prijzen van Iphones stijgen met 10% en je loon stijgt met 12%. Gaat je koopkracht omhoog of omlaag?
A
Omhoog
B
Omlaag

Slide 13 - Quizvraag

Je loont daalt met 2%, de prijzen van boodschappen dalen met 3%. Gaat je koopkracht omhoog of omlaag?
A
Omhoog
B
Omlaag

Slide 14 - Quizvraag

Bereken: vorig jaar kreeg je €50 zakgeld per maand, nu krijg je €55. Hoeveel % krijg je meer zakgeld?
A
5%
B
10%
C
7,5%
D
12,5%

Slide 15 - Quizvraag

Bereken: je verdiende eerst €3,10 per uur. Nu verdien je €3,41. Hoeveel % verdien je nu meer?
A
4%
B
7,6%
C
10%
D
16,5%

Slide 16 - Quizvraag

De koopkracht blijft gelijk.
De koopkracht neemt af.
De koopkracht neemt toe.
Het inkomen blijft gelijk, terwijl de prijzen stijgen.
Het inkomen stijgt met een hoger percentage dan de prijzen.
Het inkomen daalt met een lager percentage dan de prijzen dalen.
Het inkomen stijgt met hetzelfde percentage als dat waarmee de prijzen stijgen.

Slide 17 - Sleepvraag

Voorbeeld Koopkracht
  • De prijzen stijgen met 2,5%.
  • Het inkomen van Harmen stijgt met 1,5%.
  • Stijgt of daalt de koopkracht van Harmen?
  • Het inkomen van Marcel stijgt met 3,5%.
  • Stijgt of daalt de koopkracht van Marcel?

Slide 18 - Tekstslide

Verandering in percentages
  • Voorbeeld:  Een frikandellenbroodje 
  • prijs vorig jaar: € 1 ,=
  • prijs dit jaar: € 1,10 (nieuw)
  • Hoeveel procent is de prijs van het brood gestegen?
  • Formule
  • stijging in % = (nieuw - oud) ÷ oud x 100%
  • (1,10 - 1,=) ÷ 1,= x 100% = 10%

Slide 19 - Tekstslide

Nog een voorbeeld
  • Jaimy  verdiende vorig jaar € 3.200. 
  • Dit jaar verdient hij € 3.250.
  • Hoeveel procent is het inkomen van Jaimy gestegen?
  • 1. Nieuw = 3.250
  • 2. Oud = 3.200
  • 3. Stijging = (3250 – 3200) ÷ 3.200 x 100 = 1,6%


Slide 20 - Tekstslide