Kostprijs berekenen
Kostprijs berekenen
Open met het idee dat een verkoopprijs pas goed gekozen kan worden als je weet wat één product werkelijk kost.
Lesdoel
Ik kan de kostprijs per product berekenen met constante kosten, variabele kosten, integrale kostprijs en commerciële kostprijs.
Deze slide heeft geen instructies
Lesagenda
Uitleg deel 1 van H3
Reflecteren op de uitleg
Begrippen
Aan de slag in werkboek
Eventueel bespreken
Deze slide heeft geen instructies
Welke woorden passen volgens jou bij kostprijs?
Gebruik de opbrengst om voorkennis op te halen. Verwachte woorden: kosten, prijs, winst, productie, verkoop, materiaal, vast, variabel.
Wat is kostprijs?
De kostprijs is het bedrag dat een product het bedrijf kost.
Bij het berekenen kijk je naar:
constante kosten
variabele kosten
kosten per product
De kostprijs helpt bij het bepalen van een goede verkoopprijs.
Benadruk dat kostprijs niet hetzelfde is als verkoopprijs of winst.
Constante kosten
Constante kosten blijven in totaal gelijk, ook als de productie verandert.
Voorbeelden:
huur
verzekering
afschrijving
stallingskosten
Koppel deze slide alvast aan de formule C : N. C staat voor totale constante kosten.
Formule constante kostentarief
De formule is: constante kostentarief = C : N
Daarbij betekent:
C = totale constante kosten
N = normale productie of normale afzet
De uitkomst is de constante kosten per product.
Leg uit dat ':' hier delen betekent.
Constante kosten per product
Als de totale constante kosten over meer producten worden verdeeld, dan worden de constante kosten per product lager.
C blijft gelijk → N groter → kosten per product lager
Daarom is de normale productie belangrijk in de berekening.
Dit is een kerninzicht: dezelfde vaste kosten worden uitgesmeerd over meer stuks.
Begrippen bij constante kosten
Verzekering - kosten om risico's af te dekken.
Stallingskosten - kosten voor ruimte of opslag.
Onderhoudskosten - kosten om productiemiddelen bruikbaar te houden.
Aanschafwaarde - de prijs waarvoor een productiemiddel is gekocht.
Vervangingswaarde - het bedrag dat nodig is om dat productiemiddel nu opnieuw te kopen.
Restwaarde - de waarde die overblijft aan het einde van de gebruiksduur.
Rentepercentage - het percentage kosten van het geïnvesteerde vermogen.
Noem dat deze begrippen vaak nodig zijn om C, de totale constante kosten, samen te stellen.
Waarvoor staat N in de formule C : N?
normale productie
netto winst
nieuwe waarde
normale verkoopprijs
Controleert of leerlingen N koppelen aan normale productie of afzet, niet aan winst of verkoopprijs.
Constante kosten en begrippen
Bij constante kosten gebruik je de formule C : N. C zijn de totale constante kosten en N is de normale productie. Voor het bepalen van C tellen vaak kosten mee zoals verzekering en overheadkosten. Als N groter wordt, dalen de constante kosten per product.
De blanks leggen de kern vast: formule, betekenis van N en een voorbeeld van constante kosten.
Waarom dalen vaste kosten per product bij hogere N?
Bespreek dat constante kosten over meer producten worden verdeeld. Verwachte elementen: C blijft gelijk, N wordt groter, kosten per product dalen.
Variabele kosten
Variabele kosten veranderen mee met de productie of verkoop.
Voorbeelden:
grondstoffen
verpakkingsmateriaal
directe loonkosten per stuk
Maak het onderscheid scherp: bij meer productie nemen deze kosten meestal toe.
Formule variabele kosten
De formule is: variabele kosten = V : W
Daarbij betekent:
V = totale variabele kosten
W = werkelijke productie of werkelijke afzet
De uitkomst is de variabele kosten per product.
Gebruik consequent de letters zoals de docent ze heeft opgegeven.
Waarom deel je door W?
Variabele kosten hangen samen met wat echt is gemaakt of verkocht.
Daarom gebruik je bij deze formule:
W = werkelijke productie of
W = werkelijke afzet
Je berekent zo hoeveel variabele kosten bij één product horen.
Zet dit af tegen N bij constante kosten: normaal niveau versus werkelijk niveau.
Constante en variabele kosten
Het verschil is:
constante kosten veranderen niet direct mee met de hoeveelheid
variabele kosten veranderen wel mee met de hoeveelheid
Voor een goede kostprijs heb je beide soorten kosten nodig.
Deze vergelijking vormt de brug naar de integrale kostprijs.
Welke kosten veranderen mee met de productie?
overheadkosten
stallingskosten
grondstoffen
verzekering
Toetst het onderscheid tussen variabele en constante kosten met voorbeelden uit de slides.
Variabele kosten per product
Bij variabele kosten gebruik je V : W. De letter V betekent totale variabele kosten. Je deelt door W, omdat W staat voor de werkelijke productie of werkelijke afzet. Zo bereken je de kosten per product.
Laat leerlingen het verschil tussen N en W expliciet herkennen.
Integrale kostprijs
De integrale kostprijs fabricage is de totale kostprijs per product.
Je telt samen:
constante kosten per product
variabele kosten per product
Zo krijg je een vollediger beeld van wat één product echt kost.
Benadruk dat 'integraal' betekent: alle relevante productiekosten meenemen.
Formule integrale kostprijs fabricage
De formule is:
integrale kostprijs = C : N + V : W
Dus:
eerst bereken je de constante kosten per product
daarna de variabele kosten per product
samen vormen zij de integrale kostprijs
Deze slide heeft geen instructies
Opbouw van de formule
C : N → constante kosten per product
V : W → variabele kosten per product
C : N + V : W → integrale kostprijs per product
De formule laat zien dat de kostprijs uit twee delen bestaat.
Waarom niet C : W?
Dan wordt inefficiëntie (onderbezetting) in de kostprijs gestopt. Dat wil je meestal niet, omdat de kostprijs dan afhankelijk wordt van toevallige productieaantallen. Terwijl bijv. de huur niet in prijs is gewijzigd.
Lees de formule stap voor stap voor, zodat leerlingen de symbolen leren koppelen aan betekenis.
Waarom integrale kostprijs?
Met de integrale kostprijs kan een bedrijf:
kosten per product vergelijken
beter een verkoopprijs kiezen
zien of een product winst kan opleveren
Houd het economisch: kostprijs is een hulpmiddel voor prijs- en winstbeslissingen.
Welke formule hoort bij de integrale kostprijs?
C + V
C : N + V : W
V : W - C : N
C : W + V : N
De afleiders lijken op de echte formule, maar verwisselen tekens of letters.
Commerciële kostprijs
Na de fabricage zijn er vaak nog extra kosten om het product te verkopen.
Denk aan:
reclame
transport naar klant
verkoopafdeling
verpakking voor verkoop
Maak duidelijk dat dit kosten ná of rondom de productie kunnen zijn, maar wel nodig voor verkoop.
Formule commerciële kostprijs
De formule is:
commerciële kostprijs = fabricagekostprijs + verkoopkosten per product
Hiermee neem je naast de productiekosten ook de verkoopkosten mee in de kostprijs.
Gebruik 'fabricagekostprijs' als de kostprijs van het maken van het product.
Van fabricage naar verkoop
fabricagekostprijs → kosten van het maken
verkoopkosten per product → kosten van het verkopen
samen → commerciële kostprijs
De commerciële kostprijs is dus breder dan alleen de productie.
Leg het verschil uit tussen een kostprijs in de fabriek en een kostprijs inclusief verkoop.
Waarom deze kostprijs belangrijk is
De commerciële kostprijs helpt bij:
het bepalen van de uiteindelijke verkoopprijs
het bewaken van de marge
het inschatten van totale kosten per verkocht product
Laat zien dat bedrijven anders te laag kunnen prijzen als verkoopkosten ontbreken.
Wat tel je op bij de fabricagekostprijs?
restwaarde
verkoopkosten per product
normale productie
rentepercentage
Toetst of leerlingen de commerciële kostprijs onderscheiden van de fabricagekostprijs.
Wat kan er misgaan als verkoopkosten ontbreken?
Bespreek dat zonder verkoopkosten de prijs te laag kan worden en de marge onder druk komt te staan.
Wat hielp jou het meest om dit te begrijpen?
Reflectie op leerproces. Mogelijke antwoorden: voorbeelden, formules stap voor stap, verschil tussen N en W, klassikale uitleg.
Welk onderdeel vond jij het lastigst?
Reflectie op moeilijkheden. Mogelijke punten: verschil tussen constante en variabele kosten, letters in formules, commerciële kostprijs.
Aan de slag!
Opgave: 5, 6 en 7. Klaar? Opgave 4
van hoofdstuk 3
Deze slide heeft geen instructies
Begrippenlijst
Kostprijs - het bedrag dat een product het bedrijf kost.
Constante kosten - kosten die in totaal gelijk blijven bij verandering van productie.
Variabele kosten - kosten die mee veranderen met de productie of afzet.
Constante kostentarief - de constante kosten per product, berekend met C : N.
Integrale kostprijs - totale kostprijs per product: constante en variabele kosten samen.
Commerciële kostprijs - fabricagekostprijs plus verkoopkosten per product.
Overheadkosten - algemene kosten die niet direct aan één product zijn toe te rekenen.
Deze slide heeft geen instructies
Begrippenlijst
Aanschafwaarde - de prijs waarvoor een productiemiddel is gekocht.
Vervangingswaarde - het bedrag dat nodig is om een productiemiddel opnieuw te kopen.
Restwaarde - de waarde die overblijft aan het einde van de gebruiksduur.
Rentepercentage - percentage kosten van het geïnvesteerde vermogen.
Verzekering - kosten om risico's af te dekken.
Stallingskosten - kosten voor opslag of ruimte.
Onderhoudskosten - kosten om machines of middelen bruikbaar te houden.
Deze slide heeft geen instructies