Vragers & Aanbieders (1e) H5. Prijs- en inkomenselasticiteit

Eco-afspraken
  • ik ben stil als de docent, of een andere leerling, aan het woord is
  • als ik iets wil vragen of zeggen in de klas, steek ik mijn vinger op
  • als ik zelfstandig werk, heb ik alleen fluisterend overleg met mijn buurman/vrouw (en niet met mijn achter buurman/vrouw)
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Eco-afspraken
  • ik ben stil als de docent, of een andere leerling, aan het woord is
  • als ik iets wil vragen of zeggen in de klas, steek ik mijn vinger op
  • als ik zelfstandig werk, heb ik alleen fluisterend overleg met mijn buurman/vrouw (en niet met mijn achter buurman/vrouw)

Slide 1 - Tekstslide

Week 3 (vanaf 12 januari) 
Hoofdstuk 5. Prijs- en inkomenselasticiteit
  • actualiteit (Accijns op benzine omhoog en er volgt meer: 'Wennen aan 2,50 per liter')
  • herhaling vorige les (marktevenwicht en surplus)
  • leerdoelen (prijselasticiteit)
  • instructie (prijselasticiteit)
  • weektaak: 5.1 t/m 5.11, 5.12 t/m 5.17 en 5.18 t/m 5.20

Slide 2 - Tekstslide

Actualiteit
Accijns op benzine omhoog en er volgt meer: 'Wennen aan 2,50 per liter'

1. Waarom gaat de accijns op benzine omhoog?
  • deze is verlaagd na de Russische inval in Oekraïne toen de olieprijzen door het dak schoten
  • dat kost de schatkist veel geld: meer dan een miljard euro per jaar 
2. Waarom zouden we zelfs moeten wennen aan een benzineprijs van € 2,50 per liter?
  • vanaf 2028 gaat het Europese emissiehandelssysteem in (uitstoot certificaten inkopen)
  • stapsgewijs moet er steeds meer biobrandstof vermengd worden in de benzine (duur)
3. Wat dempt de benzineprijs nog een beetje?
  • op de oliemarkt is al een tijdje wereldwijd een overschot (gevolg: prijsdaling)

Slide 3 - Tekstslide

Terugblik (marktevenwicht en surplus)
  • Maximale betalingsbereidheid 
  • (Qv = 0) = € 50

  • Consumentensurplus
  • oppervlakte driehoek C = (30 x € 25) x 0,5 = € 375

  • Evenwichtsprijs 
  • (Qv = Qa) = € 25 
  • Producentensurplus
  • oppervlakte driehoek P = (30 x € 15) x 0,5 = € 225
  • Minimale verkoopbereidheid
  •  (Qa = 0) = € 10

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoelen H5. Elasticiteiten
  • Ik kan de eerste 9 begrippen op pagina 83 omschrijven (zie ook LWEO). 
  • Ik kan voorbeelden geven van negatieve en positieve externe effecten.
  • Ik kan beschrijven hoe de overheid negatieve externe effecten kan afremmen of vermijden en positieve externe effecten kan bevorderen.
  • Ik kan de prijselasticiteit van de vraag (Ev) omschrijven, toepassen en berekenen en aangeven of deze prijselastisch of -inelastisch is.












































Slide 5 - Tekstslide

Externe effecten
Maatschappelijke kosten
  • private kosten + negatieve externe effecten

Maatschappelijke opbrengsten
  • private opbrengsten + positieve externe effecten

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Elasticiteiten

Slide 8 - Tekstslide

Prijselasticiteit van de vraag (Ev)
!

Slide 9 - Tekstslide

Prijselasticiteit van de vraag (Ev)


Ev = %Δq / %Δp
waarbij %Δ = (nieuw - oud) / oud
PrijsElasticiteitVanDeVraag(Ev)=ProcentueleVeranderingPrijsProcentueleVeranderingGevraagdeHoeveelheid

Slide 10 - Tekstslide

Oefening (Ev)
Stel, de prijs daalt met 10% en de vraag stijgt vervolgens met 25%.
Is de vraag elastisch of inelastisch?
  • de vraag stijgt procentueel meer dan de prijs procentueel daalt
  • de vraag reageert relatief sterk op de prijsverandering, dus een elastische vraag
  • Ev = %Δq / %Δp  = 25% / -10% = -2.5
  • teller is groter dan de noemer, relatief elastische vraag als Ev < -1 


Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Les en Weektaak
  • wat: opdracht 5.6 en 5.8 in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak  5.1 t/m 5.11

Slide 13 - Tekstslide

Opgave 5.8 (pagina 73)
De vraag naar autokilometers is Qv = -0,2P + 20.
Stel dat de prijs stijgt van € 0,25 naar € 0,26.

a. Bereken bij elk van deze prijzen de vraag naar autokilometers. 
  • bij de prijs van € 0,25 → Qv = -0,2 × 25 + 20 = 15 (miljard kilometer)
  • bij de prijs van € 0,26 → Qv = -0,2 × 26 + 20 = 14,8 (miljard kilometer)
b. Bereken de prijselasticiteit van de vraag als de prijs stijgt van € 0,25 naar € 0,26.
  • Epv = %∆Q/ %∆P -> ((14,8 - 15) / 15) / ((26 - 25) / 25) = -0,3                       %∆ = (nieuw-oud) / oud
c. Beredeneer of de vraag naar autokilometers bij deze prijsverandering prijselastisch is.
  • Epv van -0,3 zit tussen de -1 en 0 dus een relatief inelastische vraag 

Slide 14 - Tekstslide

Week 3 (vanaf 12 januari) 
Hoofdstuk 5. Prijs- en inkomenselasticiteit
  • herhaling vorige les (prijselasticiteit van de vraag Ev)
  • leerdoelen (inkomenselasticiteit Ey)
  • instructie (inkomenselasticiteit Ey)
  • weektaak: 5.1 t/m 5.11, 5.12 t/m 5.17 en 5.18 t/m 5.20

Slide 15 - Tekstslide

Prijselasticiteit v/d vraag (Ev)
!

Slide 16 - Tekstslide

Prijselasticiteit van de vraag (Ev)


Ev = %Δq / %Δp
waarbij %Δ = (nieuw - oud) / oud
PrijsElasticiteitVanDeVraag(Ev)=ProcentueleVeranderingPrijsProcentueleVeranderingGevraagdeHoeveelheid

Slide 17 - Tekstslide

Oefening (Ev)
Collectieve vraag naar de PlayStation 5: qv = -0,06p + 90 (qv in 1.000 stuks en p in euro’s)
Bereken de prijselasticiteit als de prijs van de PS5 wordt verlaagd van € 900 naar € 800.

Stap 1: met hoeveel % daalt de prijs?
  • prijs (p) van € 900 naar € 800 = (800 - 900) / 900 = -11,11%
Stap 2: met hoeveel % verandert de vraag?
  • qv = -0,06 * 900 + 90 = 36 => qv = -0,06 * 800 + 90 = 42
  • vraag (q) van 36 naar 42 = (42 - 36) / 36 = +16,67%
Stap 3: invullen in formule prijselasticiteit
  • Ev = %Δq / %Δ p = +16,67 / -11,11 = - 1.5
  • een Ev van -1.5 is een elastische vraag!


Slide 18 - Tekstslide

Leerdoelen H5. Elasticiteiten
  • Ik kan de begrippen op pagina 83 omschrijven (zie ook LWEO). 
  • Ik kan voorbeelden geven van negatieve en positieve externe effecten.
  • Ik kan beschrijven hoe de overheid negatieve externe effecten kan afremmen of vermijden en positieve externe effecten kan bevorderen.
  • Ik kan de prijselasticiteit van de vraag (Ev) omschrijven, toepassen en berekenen en aangeven of deze prijselastisch of -inelastisch is.
  • Ik kan uitleggen wat het effect is van een prijsverandering op de omzet van het product.
  • Ik kan de inkomenselasticiteit van de vraag (Ey) omschrijven, toepassen en berekenen en aangeven of deze inkomenselastisch of -inelastisch is.
  • Ik kan voorbeelden geven van inferieure, primaire, luxe en normale goederen en aangeven of deze inkomenselastisch of -inelastisch is. 













































Slide 19 - Tekstslide

Prijselasticiteit en omzet
volkomen inelastische vraag


relatief inelastische vraag

-

relatief elastische vraag


-

Slide 20 - Tekstslide

Inkomenselasticiteit (Ey)


Ey = %Δq / %Δy
waarbij %Δ = (nieuw - oud) / oud
InkomensElasticiteitVanDeVraag(Ey)=ProcentueleVeranderingInkomenProcentueleVeranderingGevraagdeHoeveelheid

Slide 21 - Tekstslide

Oefening (Ey)
De vraagfunctie van elektrische fietsen in een land luidt als volgt: Qv = -0,5P + 0,75Y + 800 waarbij
 - Qv = aantal gevraagde elektrische fietsen (× 1.000)
 - P = prijs per elektrische fiets in euro’s en Y = het nationaal inkomen van het land in miljarden euro’s per jaar.

In de uitgangssituatie is de prijs van een elektrische fiets € 1.500 en is het nationaal inkomen € 800 miljard.
1. Bereken de inkomenselasticiteit van de vraag naar elektrische fietsen in de uitgangssituatie.
  • Oude Y = € 800 miljard → Oude Qv = −0,5 × 1.500 + 0,75 × 800 + 800 = 650 (× 1.000)
  • Nieuwe Y = € 880 miljard (bijvoorbeeld) → Nieuwe Qv = −0,5 × 1.500 + 0,75 × 880 + 800 = 710 (× 1.000)
  • %∆Qv = (710 – 650) / 650 × 100% = 9,2%.
  • %∆Y = (880 – 800) / 800 × 100% = 10%.
  • Ey = %∆Qv / %∆Y = 9,2% / 10% = 0,92
2. Is een elektrische fiets in dit land een primair goed, een luxe goed of een inferieur goed? 
  • Een primair goed, 0 < Ey < 1 en dat wijst op een primair goed, want daarbij ligt Ey tussen 0 en 1.






Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Les en Weektaak
  • wat: opdracht 5.12, 5.14 en 5.16 in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 5.12 t/m 5.20

Slide 24 - Tekstslide

Opgave 5.12 (pagina 74)
Transportbedrijf Portena heeft 20 vrachtwagens op de weg
die elk gemiddeld 100.000 km per jaar rijden. Zij vragen een prijs van € 1,50 per kilometer.

a. Bereken de jaaromzet van Portena.
  • Omzet = p × q =  € 1,50 × 20 vrachtwagens x 100.000 km = € 3 miljoen

De overheid gaat een kilometerheffing van € 0,05 per kilometer doorvoeren die Portena volledig gaat doorberekenen. Hierbij gaan zij uit van 2 scenario's van vraagdaling: I: 2,5% of II: 5%. 
b. Bereken de prijselasticiteit van de vraag in scenario I.
  • %Δp = (N - O) / O x 100% = (€ 1,55 – € 1,50) / € 1,50 × 100% = 3,3%                                    %Δq = -2,5%
  • Epv = % Δq / %Δp = -2,5% / 3,3% = -0,76 

Slide 25 - Tekstslide

Opgave 5.12 (vervolg)
c. Bereken de verwachte jaaromzet van Portena bij scenario I.
  • Omzet = p × q =  € 1,55 × 20 vrachtwagens x 97.500 km = € 3.022.500
d. Bereken de prijselasticiteit van de vraag in scenario II.
  • %Δp = (N - O) / O x 100% = (€ 1,55 – € 1,50) / € 1,50 × 100% = 3,3%                                    %Δq = -5%
  • Epv = % Δq / %Δp = -5% / 3,3% = -1,5
e. Bereken de verwachte jaaromzet van Portena bij scenario II.
  • Omzet = p × q = € 1,55 × 20 vrachtwagens x 95.o00 km = € 2.945.000
f. Verklaar het verschil in uitkomst bij vraag c. (omzet stijgt) en e. (omzet daalt).
  • Bij vraag c. is de omzet hoger omdat de vraag prijsinelastisch is (-0,76). De daling van de vraag is % kleiner dan de prijsstijging. Bij vraag e. is de omzet lager omdat de vraag prijselastisch is (-1,5). De daling van de vraag is % groter dan de prijsstijging.

Slide 26 - Tekstslide

Proefwerk
Wat: Vragers & Aanbieders hoofdstuk 1, 3 en 5
Wanneer: maandag 26 januari 11-12 uur (papier) 
Inhoud:16 open vragen (34 punten)
Opgaven (onderwerpen):
  1. kosten, opbrengsten en winst
  2. vraag- & aanbod functie en vraag- & aanbodlijn (tekenen)
  3. evenwichtsprijs, evenwichtshoeveelheid en evenwichtsomzet
  4. substitutie en complementaire goederen
  5. prijselasticiteit en gevolgen voor de omzet

Slide 27 - Tekstslide

Magister (ELO bronnen)






Al jullie lesmateriaal economie staat online op:

Slide 28 - Tekstslide

Begrippen (LWEO)





De uitleg van alle begrippen en extra oefenopgaven staan online op:

Slide 29 - Tekstslide

De prijselasticiteit van de vraag naar een goed is -0,5.
Dit betekent dat...
A
als de prijs 10% daalt, de gevraagde hoeveelheid 5% stijgt
B
als de prijs 10% stijgt, de gevraagde hoeveelheid 5% stijgt
C
als de prijs € 10 daalt, de gevraagde hoeveelheid 5 stijgt
D
als de gevraagde hoeveelheid 10% moet stijgen, de prijs 5% moet dalen

Slide 30 - Quizvraag

Gegeven de collectieve vraagfunctie op een markt:
Qv = -10P + 120
Op de markt kwam vorig jaar een prijs van € 10 tot stand. Door een subsidie van de overheid daalt de marktprijs tot € 8.

Bereken de prijselasticiteit van de vraag.
A
- 0,2
B
- 0,5
C
- 2
D
- 5

Slide 31 - Quizvraag

De autokosten per kilometer bedragen € 0,25. De overheid overweegt een kilometerheffing in voeren van € 0,02 per kilometer waardoor volgens onderzoek het aantal gereden kilometers zal dalen van 4 naar 3,9 miljoen.

Bereken de prijselasticiteit van deze overheidsmaatregel.
A
-5
B
-0,3125
C
-0,25
D
0,2575

Slide 32 - Quizvraag

Wat kun je bij deze overheidsmaatregel zeggen over de prijselasticiteit van de vraag naar autokilometers?
A
volkomen elastisch
B
relatief elastisch
C
relatief inelastisch
D
volkomen inelastisch

Slide 33 - Quizvraag

Als de prijselasticiteit van de vraag naar benzine elastisch is dan...
A
leidt een prijsdaling tot een stijging van de omzet
B
leidt een prijsdaling tot een daling van de omzet
C
leidt een prijsstijging tot een stijging van de omzet
D
leidt een prijsstijging tot een stijging van de vraag

Slide 34 - Quizvraag

Het basistarief dat taxi's bij hun klanten in rekening mogen brengen, wordt aangepast.

In welk geval leidt de aanpassing tot een stijging van de omzet?
A
bij een verhoging van het tarief bij een prijselastische vraag
B
bij een verhoging van het tarief bij een prijsinelastische vraag
C
bij een verlaging van het tarief bij een prijsinelastische vraag
D
in geen van de genoemde gevallen

Slide 35 - Quizvraag

Als het inkomen met 10% stijgt en de vraag naar product X met 15% stijgt, dan is er sprake van een...
A
inferieur goed
B
primair goed
C
luxe goed
D
abnormaal goed

Slide 36 - Quizvraag