A2 Thema 2 Les 2.6
Learning objective
A2 Thema 2 Les 2.6
Learning objective
Het Nieuws
Betekenis: Informatie over wat er is gebeurd in de wereld of in Nederland.
In de krant of op tv (journaal)
Voorbeeld: Ik kijk elke avond naar het nieuws op televisie.
De Brand
Betekenis: Een groot vuur dat iets kapotmaakt, bijvoorbeeld in een huis of bos.
Meervoud: de branden
Voorbeeld: Er was een brand in de keuken.
Gevaarlijk
Betekenis: Niet veilig; iets wat pijn kan doen of schade kan geven.
Bijvoegelijk naamwoord: Gevaarlijke
Voorbeeld: Het is gevaarlijk om door rood te rijden.
Tegenovergestelde: veilig
De Brandweer
Betekenis: De mensen die het vuur blussen bij een brand.
Voorbeeld: De brandweer kwam snel om het vuur te blussen.
Het Vuur
Betekenis: Vlammen die warmte geven; wat brandt.
Meervoud: de vuren
Voorbeeld: Het vuur in de open haard is mooi.
De Boer
Betekenis: Iemand die werkt op het land en dieren of planten heeft.
Meervoud: de boeren
Voorbeeld: De boer melkt de koeien elke ochtend.
Het Procent
Betekenis: Een deel van honderd (1% = één van de honderd).
Meervoud: de procenten
Voorbeeld: Twintig procent van de mensen drinkt geen koffie.
Gisteren
Betekenis: De dag vóór vandaag.
Voorbeeld: Gisteren was het mooi weer.
Tegenovergestelde: morgen
Door
Betekenis: Omdat, vanwege
De oorzaak van iets.
Voorbeeld: Door de vertraging ben ik te laat op school.
De Ziekte
Betekenis: Als je lichaam niet goed werkt, iets in je lichaam waardoor je je niet goed voelt
Meervoud: de ziekten of ziektes
Voorbeeld: Griep is een bekende ziekte.
Tegenovergestelde: De gezondheid
De Lente
Betekenis: Het seizoen na de winter, als bloemen groeien en het warmer wordt.
Meervoud: de lentes
Voorbeeld: In de lente bloeien de tulpen.
Gemiddeld
Betekenis: Niet veel en niet weinig; in het midden.
Voorbeeld: De mannen in Nederland zijn gemiddeld 1 meter 80 lang.
Ongeluk
Betekenis: Een gebeurtenis waarbij iets fout gaat of iemand pijn krijgt.
Meervoud: de ongelukken
Voorbeeld: Er was een ongeluk met de auto.
Gebeuren
Werkwoord: gebeuren – gebeurde(n) – is gebeurd
Betekenis: Plaatsvinden; iets dat gebeurt.
Voorbeeld: Wat is er gebeurd op school?