5.5 evolutietheorie (2VWO) - verkort rooster

Planning:
  • summatieve PO inleveren
  • stukje herhaling deel thema 5
  • leerdoelen 5.5
  • leerdoelen 5.5 uitleggen
  • huiswerk opgeven 
  • aan de slag met de opdrachten (bij tijd over)
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolWOhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Planning:
  • summatieve PO inleveren
  • stukje herhaling deel thema 5
  • leerdoelen 5.5
  • leerdoelen 5.5 uitleggen
  • huiswerk opgeven 
  • aan de slag met de opdrachten (bij tijd over)

Slide 1 - Tekstslide

summatieve PO inleveren!

Slide 2 - Tekstslide

Wat is een DNA-sequentie?
A
De volgorde van chromosomen.
B
De volgorde van RNA.
C
De volgorde van de bouwstenen (A/T/C/G) van het DNA.
D
Het uiterlijk van een organisme.

Slide 3 - Quizvraag

Wat is een goed woord voor DNA-sequentie ?
A
DNA-streng
B
genexpressie
C
genoom
D
basenvolgorde

Slide 4 - Quizvraag

Wat is eiwitsynthese?
A
Het maken van een eiwit in een cel.
B
Het proces waarbij DNA wordt gekopieerd.
C
Het proces waarbij cellen zich delen.
D
Het proces waarbij suikers worden omgezet in vetten.

Slide 5 - Quizvraag

Welke organellen zorgen voor de eiwitsynthese?
A
RNA
B
mitochondriën
C
Plastiden
D
ribosomen

Slide 6 - Quizvraag

Wat wordt er gevormd tijdens transcriptie?
A
DNA
B
RNA
C
EIWIT
D
GEN

Slide 7 - Quizvraag

Hoe kan genetische variatie binnen een soort niet ontstaan?
A
Door verandering van het DNA in een laboratorium.
B
Door geslachtelijke voortplanting.
C
Door spontane mutaties.
D
Door klonen.

Slide 8 - Quizvraag

Een spontane (erfelijke) mutatie kan nadelig zijn, maar kan ook een voordeel zijn.

Welk voordeel heeft een spontane mutatie?
A
Door een spontane mutatie valt een organisme minder op ten opzichte van zijn omgeving.
B
Door een spontane mutatie neemt de genetische variatie toe in de nakomelingen.
C
Door een spontane mutatie kunnen er meer nakomelingen komen.
D
Door een spontane mutatie neemt de genetische variatie af in de nakomelingen.

Slide 9 - Quizvraag

Maartje is bevallen van een gezonde dochter. Zowel Maartje als haar man zijn gezond en geen drager van een ziekte.
Toch blijkt hun kind geboren te zijn met een erfelijke afwijking
Er blijkt een spontane mutatie te zijn opgetreden.
Wat is een mutatie?
A
Een aandoening die is ontstaan bij de vorming van geslachtscellen.
B
Een erfelijke aandoening die is veroorzaakt door ziekteverwekkers.
C
Een verandering in het DNA veroorzaakt door een verandering van één gen.
D
Een ziekte die ontstaat door één zieke cel tussen gezonde cellen

Slide 10 - Quizvraag

Wat houdt uitzaaiing van kanker in?
A
Dat er cellen vanuit een tumor met de bloedbaan naar elders in je lichaam gaan.
B
Dat je een kwaadaardige tumor hebt.
C
Dat je ziek geworden bent.
D
Dat de kanker niet op één plek zit maar overal.

Slide 11 - Quizvraag

Wat is kanker?
A
Een tumor
B
Een goedaardige tumor
C
Een kwaadaardige tumor
D
Een gezwel

Slide 12 - Quizvraag

Roken van sigaretten en/of sigaren verhoogt de kans op kanker.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 13 - Quizvraag

Kanker is:
A
een verkeerde celdeling
B
een tumor
C
een tumor waar je ziek van wordt
D
uitzaaiing

Slide 14 - Quizvraag

Leerdoel 5.5:
Ik kan de evolutietheorie beschrijven.

Hierin is het wel heel handig als je ook weet:
  • hoe er nieuwe genotypen kunnen ontstaan.
  • hoe natuurlijke selectie werkt.
  • hoe er nieuwe soorten ontstaan door isolatie. 


Slide 15 - Tekstslide

Evolutie = 
de ontwikkeling van het leven op aarde waarbij soorten ontstaan, veranderen en/of verdwijnen. 

Slide 16 - Tekstslide

Evolutietheorie
Charles Darwin heeft de evolutietheorie ontwikkeld. 
Hij gaat uit van een periode van miljoenen jaren, waarbij genotypen veranderen.

De natuur zelf selecteert wie 
overleeft en dat er 
nieuwe soorten ontstaan.

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Video

Variatie op genotypen
  • De meeste planten en dieren planten zich geslachtelijk voort.
  • Bij geslachtelijke voortplanting ontstaat variatie op genotypen. Ook door   mutaties kan variatie in genotypen ontstaan. 
  • Als je nieuwe genotypen ontstaan, kan dat leiden tot nieuwe fenotypen. 

Slide 19 - Tekstslide

Wat is natuurlijke selectie???
Sommige organismen krijgen veel nakomelingen, zoals vlinders.
Niet alle vlinders hebben een even grote overlevingskans. 
Vlinders met een zwakke gezondheid of met een afwijkende kleur worden eerder gevangen door roofdieren.  Deze vlinders leven 
dan maar kort en hebben weinig kans om 
nakomelingen te krijgen. 
De vlinders die sterk en gezond zijn en een goede 
schutkleur hebben, hebben de grootste kans om in 
leven te blijven en om nakomelingen te krijgen.

Slide 20 - Tekstslide

Natuurlijke selectie

Slide 21 - Tekstslide

Natuurlijke selectie

Slide 22 - Tekstslide

Hoe ontstaan nieuwe soorten?

Slide 23 - Tekstslide

Hoe ontstaan nieuwe soorten?

Slide 24 - Tekstslide

Hoe ontstaan nieuwe soorten?

Slide 25 - Tekstslide

Evolutie en nieuwe soorten
Verwantschap
Hoe minder lang geleden
 de soorten gesplitst zijn, hoe verwanter
 de organismen zijn.


                                       


Slide 26 - Tekstslide

Evolutie en nieuwe soorten
Stopt de lijn voor de huidige tijd (nu);                                             
dan is het diersoort uitgestorven. 


Slide 27 - Tekstslide

Ontstaan nieuwe soorten
  • Nieuwe soorten ontstaan door lange periode van evolutie bij bepaalde soort.
  • Veel kleine veranderingen samen veroorzaken 
       grote veranderingen.
  • Dit proces duurt lang! (duizenden tot miljoenen jaren)

Slide 28 - Tekstslide

2 soorten hebben wel nakomelingen, maar deze nakomelingen zijn niet vruchtbaar! = niet dezelfde soort
Muildier
Lijger
Zezel
Gaap

Slide 29 - Tekstslide

voorbeeld
Afrikaanse en aziatische olifant:
  • Beide olifanten
  • veel overeenkomsten
  • kunnen niet voortplanten, dus niet hetzelfde soort. 
Dieren behoren pas tot dezelfde diersoort als ze vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.

Slide 30 - Tekstslide

huiswerk voor de volgende les = 
Maak (online) van thema 5,
van basisstof 5.5
opdrachten 1 t/m 3 + 5 t/m 8

Slide 31 - Tekstslide