Oefentoets Hfst. 8 Tabel, grafiek en formule

Oefentoets H8
Tabel, grafiek en formule






Gebruik rekenmachine is toegestaan.
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Oefentoets H8
Tabel, grafiek en formule






Gebruik rekenmachine is toegestaan.

Slide 1 - Tekstslide

Wat hoort er bij de onderste pijltjes te staan?

Slide 2 - Open vraag

Welk getal moet er staan bij 240?

Slide 3 - Open vraag

Heeft de tabel een regelmaat? Zo ja, wat is de regelmaat?

Slide 4 - Open vraag

Wat is de regelmaat in de tabel?

Slide 5 - Open vraag

Wat is de regelmaat in de tabel?

Slide 6 - Open vraag

Heeft de tabel een regelmaat? Zo ja wat is de regelmaat?

Slide 7 - Open vraag



Hier zie je een formule voor het volgen van Saxofoonlessen. Wat betekent de €6,50?
A
dat is het vaste bedrag
B
dat moet je per les betalen
C
dat is het begingetal

Slide 8 - Quizvraag

inkomsten (€) = 5 + 3 x tijd(maanden)

3 is het ...
A
begingetal
B
stijggetal
C
daalgetal
D
bijzonder getal

Slide 9 - Quizvraag

inkomsten (€) = 10 - 2 x tijd(maanden)

2 is het ...
A
begingetal
B
stijggetal
C
daalgetal
D
bijzonder getal

Slide 10 - Quizvraag

saldo (€) = 10 - 2 x tijd(maanden)

10 is het ...
A
begingetal
B
stijggetal
C
daalgetal

Slide 11 - Quizvraag

beltegoed (€) = 25 - 0,20 x tijd (minuten)
0,20
25
staat er niet bij
begingetal
stijggetal
daalgetal

Slide 12 - Sleepvraag

kosten (€) = 11 + 5 x tijd (dagen)
11
5
staat er niet bij
begingetal
stijggetal
daalgetal

Slide 13 - Sleepvraag

Beltegoed in € = 25 - 0,20 x tijd in minuten

Hoe noemen we 0,20?
A
stijggetal
B
daalgetal
C
begingetal
D
weet ik niet

Slide 14 - Quizvraag

Wat is het begingetal?
A
inhoud (liters)
B
60
C
10
D
tijd in uren

Slide 15 - Quizvraag

Wat komt er uit als je 1 invult in de woordformule?
A
0
B
3
C
4
D
7

Slide 16 - Quizvraag

Wat komt er uit als je 1 invult in de woordformule?
A
9
B
15
C
15
D
21

Slide 17 - Quizvraag

Is dit een grafiek?
A
Ja
B
Nee

Slide 18 - Quizvraag

Wat hoort er onder de 3 te staan?

Slide 19 - Open vraag

In een emmer zit 30L water, maar de emmer is lek.
Er loopt per minuut 3L water uit.
In een woordformule, wat is het daalgetal hierbij?

Slide 20 - Open vraag

Wat komt onder 0
in de tabel te staan?
A
2,50
B
4
C
6,50
D
0

Slide 21 - Quizvraag

Hoe heet de rode lijn in de figuur hiernaast?
A
Een schuine lijn
B
Een diagonaal
C
Een assenstelsel
D
Een grafiek

Slide 22 - Quizvraag

Wat is een grafiek
A
Iets met een horizontale as en een verticale as.
B
Je weet hoe laat je op school moet zijn.
C
Die zet je bovenop een kerstboom.
D
Je kunt er dingen op aflezen.

Slide 23 - Quizvraag

horizontaal
verticaal

Slide 24 - Sleepvraag

Sleep de woorden naar het juiste plaatje.
formule
tabel
grafiek

Slide 25 - Sleepvraag

Wat is het begingetal?

Slide 26 - Open vraag

Wat is het begingetal?

Slide 27 - Open vraag

Joost heeft een bijbaantje op de markt.
Hij berekent zijn inkomsten met de formule:
Inkomsten (€) = 5 + 3 x tijd in uren

Wat is in deze formule het begingetal?

A
Inkomsten in €
B
5
C
3
D
Tijd in uren

Slide 28 - Quizvraag

Voor een taxirit betaal je een instaptarief van € 4,50.
Per kilometer betaal je € 1,25.
Wat moet waar op de puntjes komen te staan in de formule?
Prijs in €  
afstand in km
1,25
4,50

Slide 29 - Sleepvraag

Kosten in € = 15 + 7,40 x tijd in dagen

Hoeveel kosten heb ik na 0 dagen?
A
€0,-
B
€ 7,40
C
€15,-
D
€ 22,40

Slide 30 - Quizvraag

Kosten in € = 15 + 7,40 x tijd in dagen
Hoeveel kosten heb ik na 10 dagen?
A
€ 25,00
B
€ 89,00
C
€ 150
D
€ 74,00

Slide 31 - Quizvraag

Daan heeft een bijbaantje.
Inkomsten (€) = 5 + 3 x aantal uur

Daan gaat per uur €1 meer verdienen.
Wat wordt de nieuwe formule?
A
Inkomsten in € = 5 + 3 x aantal uur
B
Inkomsten in € = 6 + 4 x aantal uur
C
Inkomsten in € = 6 + 3 x aantal uur
D
Inkomsten in € = 5 + 4 x aantal uur

Slide 32 - Quizvraag

beltegoed (€) = 25 - 0,20 x tijd (minuten)

Het begingetal wordt verhoogd met 25 euro.
Wat wordt het nieuwe begingetal?


A
25
B
50
C
25,20
D
0

Slide 33 - Quizvraag

beltegoed (€) = 25 - 0,20 x tijd (minuten)

De kosten per minuut worden verhoogd
met 0,05 cent. Wat wordt het nieuwe daalgetal?


A
25,5
B
0,25
C
25,05
D
0

Slide 34 - Quizvraag