Bedrijf Starten (3e) H4. De exploitatiebegroting

Beco-afspraken
  • ik ben stil als de docent, of een andere leerling, aan het woord is
  • als ik iets wil vragen of zeggen in de klas, steek ik mijn vinger op
  • als ik zelfstandig werk, heb ik alleen fluisterend overleg met mijn buurman/vrouw (en niet met mijn achter buurman/vrouw)
1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
BedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 50 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Beco-afspraken
  • ik ben stil als de docent, of een andere leerling, aan het woord is
  • als ik iets wil vragen of zeggen in de klas, steek ik mijn vinger op
  • als ik zelfstandig werk, heb ik alleen fluisterend overleg met mijn buurman/vrouw (en niet met mijn achter buurman/vrouw)

Slide 1 - Tekstslide

Studiewijzer
Studiewijzer Bedrijfseconomie Havo 4 Periode 4
Duur: 6 weken van week 17 (20 april 2026) t/m week 23 (5 juni 2026)
Aantal lesuren per week: 3

SO Bedrijf starten Hoofdstuk 3-4 op woensdag 27 mei
  • Weging: 1               Minuten: 45              Herkansbaar: NEE

PW Bedrijf Starten Hoofdstuk 1-5 in week  24 (8 - 12 juni)
  • Weging: 3              Minuten: 90              Herkansbaar: NEE

Slide 2 - Tekstslide

Bedrijf Starten
3. De liquiditeitsbegroting
  • ontvangsten
  • uitgaven
4. De exploitatiebegroting
  • opbrengsten
  • kosten
  • privé ontvangsten en uitgaven
5. Verbanden tussen financiële overzichten
  • van openingsbalans naar eindbalans
  • overlopende posten

Slide 3 - Tekstslide

Week 20 (vanaf 11 mei 2026)
Hoofdstuk 4. De exploitatiebegroting
  • terugblik vorige les (liquiditeitsbegroting)
  • opdracht 3.15 klassikaal bespreken
  • leerdoelen
  • instructie (exploitatiebegroting en omzet)
  • opdracht 4.6 klassikaal maken
  • weektaak: opdracht 4.1 t/m 4.14

Slide 4 - Tekstslide

Liquiditeitsbegroting
De liquiditeitsbegroting is
een financieel overzicht
van alle verwachte ontvangsten en uitgaven van een onderneming
in een bepaalde periode.

Let op: alle bedragen zijn inclusief BTW!

Slide 5 - Tekstslide

Terugblik (verkopen / ontvangsten)
Als je iets verkoopt, heb je omzet (exploitatie). Maar financieel
gezien zijn er twee soorten verkopen (liquiditeit):
1. contant (met geld of PIN, je ontvangt direct het geld)
2. op rekening (je stuurt een factuur en krijgt later betaald)
  • hierbij geldt vaak een krediettermijn van één maand
  • hierdoor ontstaat de balanspost debiteuren (= bezitting dus debet op de balans!)
  • we noemen dit ook wel leverancierskrediet (jij geeft als leverancier krediet aan de klant)

Op de liquiditeitsbegroting wordt een onderscheid gemaakt tussen de
ontvangsten uit contante verkopen en de ontvangsten van debiteuren.

Slide 6 - Tekstslide

Terugblik (inkopen / uitgaven)
Als je iets inkoopt, heb je kosten (exploitatie). Maar financieel
gezien zijn er twee soorten inkopen (liquiditeit):
1. contant (met geld of PIN, je betaalt direct het geld)
2. op rekening (je ontvangt een factuur en betaalt later)
  • hierbij geldt vaak een krediettermijn van één maand
  • hierdoor ontstaat de balanspost crediteuren (= schuld dus credit op de balans!)
  • we noemen dit ook wel leverancierskrediet (jij ontvangt als klant krediet van de leverancier)

Op de liquiditeitsbegroting wordt een onderscheid gemaakt tussen de
contante uitgaven en de uitgaven op rekening (crediteuren).

Slide 7 - Tekstslide

Opdracht 3.15 (pagina 29)
1. Bereken het bedrag dat Lou aan leveranciers betaalt in het 4e kwartaal 2022.
  • oktober: inkopen van september (één maand krediet) = € 968
  • november: inkopen van oktober = € 1.299 x 1,21 = € 1.452
  • december: inkopen van november € 2.150 x 1,2 = € 2.601,50
  • totale uitgaven aan leveranciers 4e kwartaal 2022 = € 968 + € 1.452 + € 2.601,50 = € 5.601,50
2. Vul de uitgavenkant van het liquiditeitsoverzicht van het 4e kwartaal 2022.
  • crediteuren = € 5.601,50
  • aflossing onderhandse lening = 3 x € 50 = € 150
  • rente onderhandse lening = € 15
  • huur 2 x € 40 = = € 80
  • totaal = € 5.601,50 + € 150 + € 15 + € 80 = 5.266,50

Slide 8 - Tekstslide

Leerdoelen H4. De exploitatiebegroting
  • Ik kan de begrippen op pagina 52 omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan de omzet op basis van een gegeven verkoopprijs berekenen.
  • Ik kan het onderscheid uitleggen tussen het periodetoerekeningstelsel en het kasstelsel.
  • Ik kan de overige opbrengsten berekenen.

Slide 9 - Tekstslide

Exploitatiebegroting
De exploitatiebegroting is
een financieel overzicht van
de verwachte opbrengsten en kosten
van een onderneming
 voor een bepaalde periode
(vaak voor de komende 3 jaar).

Let op: alle bedragen zijn exclusief BTW!

Als we dit overzicht achteraf maken, noemen we dit de winst & verliesrekening.

Slide 10 - Tekstslide

Stelsels
We hanteren 2 stelsels:
  • periodetoerekeningsstelsel: we rekenen de opbrengsten en kosten toe aan de periode waarin de producten worden verkocht (zoals op de exploitatiebegroting)
  • kasstelsel: we rekenen de inkomsten en uitgaven toe aan de periode waarin de inkomsten en uitgaven gedaan worden (zoals op de liquidatiebegroting)

Slide 11 - Tekstslide

Liquiditeits- en exploitatiebegroting
Kijkvragen:
1. Welke begrotingen neem je op in je ondernemingsplan?
2. Waaruit bestaat de exploitatiebegroting?
3. Hoe bereken je de bruto winst, het bedrijfsresultaat en de netto winst?
4. Waaruit bestaat de liquiditeitsbegroting?
5. Waaruit bestaat de privé begroting?

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Liquiditeits- en exploitatiebegroting
Kijkvragen:
1. Welke begrotingen neem je op in je ondernemingsplan?
  • investeringsbegroting
  • financieringsbegroting
  • exploitatiebegroting
  • liquiditeitsbegroting
  • privé begroting

Slide 14 - Tekstslide

Liquiditeits- en exploitatiebegroting
2. Waaruit bestaat de exploitatiebegroting?
  • verwachte omzet en kosten (exclusief BTW) over een langere periode
3. Hoe bereken je de omzet, bruto winst, het bedrijfsresultaat en de netto winst?
  • omzet = verkoopprijs (exclusief BTW) x verkochte hoeveelheid 
  • bruto winst = omzet - inkoopwaarde (exclusief BTW)
  • bedrijfsresultaat = bruto winst - bedrijfskosten (exclusief BTW)
  • netto winst = bedrijfsresultaat - inkomstenbelasting
4. Waaruit bestaat de liquiditeitsbegroting?
  • verwachte inkomsten en uitgaven (inclusief BTW!)  per maand of kwartaal
5. Waaruit bestaat de privé begroting?
  • maandelijkse inkomsten, vaste uitgaven en variabele uitgaven 

Slide 15 - Tekstslide

Opdracht 4.3 (pagina 37)
1. Bereken de totale omzet van Joshua over het 3e kwartaal van 2021.
  • omzet = verkoopprijs (exclusief BTW) x hoeveelheid
  • omzet (inclusief BTW) = (€ 6 x 320) + (€ 9,50 x 80) + (€ 18 x 96) = € 4.408
  • omzet (exclusief BTW) = (€ 4.408 / 121) x 100 = € 3.642,98
2. Bereken de te betalen BTW over het 3e kwartaal van 2021.
  • te betalen BTW = € 4.408 - € 3.642,98 = € 765,02 of (€ 4.408 / 121) x 21 = € 765,02
3. Bereken hoeveel strandballen Joshua het 3e kwartaal 2022 moet verkopen.
  • omzetdoel (exclusief BTW) = € 3.642,98 x 1,05 = € 3.825,13
  • omzet luchtbedden (exclusief BTW) = (((€ 19 x 110) + (€ 10 x 75)) / 121) x 100 = € 2.347,11
  • omzet strandballen (exclusief BTW) = € 3.825,13 - € 2.347,11 = € 1.478,02
  • aantal strandballen = € 1.487,02 / ((€ 6,50 / 121) x 100) = 275,14 dus 276
timer
10:00

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Les & Weektaak
  • wat: opdracht 4.4 (pagina 37) in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder je weektaak opdracht 4.1 t/m 4.14

Slide 18 - Tekstslide

Week 20 (vanaf 11 mei 2026)
Hoofdstuk 4. De exploitatiebegroting
  • terugblik vorige les (exploitatiebegroting en omzet)
  • opdracht 3.5 en 4.4 klassikaal bespreken
  • leerdoelen
  • instructie (inkoopwaarde van de omzet)
  • opdracht 4.6 klassikaal maken
  • weektaak: opdracht 4.1 t/m 4.14

Slide 19 - Tekstslide

Exploitatiebegroting
De exploitatiebegroting is
een financieel overzicht van
de verwachte opbrengsten en kosten
van een onderneming
 voor een bepaalde periode
(vaak voor de komende 3 jaar).

Let op: alle bedragen zijn exclusief BTW!

Als we dit overzicht achteraf maken, noemen we dit de winst & verliesrekening.

Slide 20 - Tekstslide

Terugblik (stelsels)
We hanteren 2 stelsels:
  • periodetoerekeningsstelsel: we rekenen de opbrengsten en kosten toe aan de periode waarin de producten worden verkocht (zoals op de exploitatiebegroting)
  • kasstelsel: we rekenen de inkomsten en uitgaven toe aan de periode waarin de inkomsten en uitgaven gedaan worden (zoals op de liquidatiebegroting)

Slide 21 - Tekstslide

Opdracht 3.15 (pagina 29)
1. Bereken het bedrag dat Lou aan leveranciers betaalt in het 4e kwartaal 2022.
  • oktober: inkopen van september (één maand krediet) = € 968
  • november: inkopen van oktober = € 1.299 x 1,21 = € 1.452
  • december: inkopen van november € 2.150 x 1,2 = € 2.601,50
  • totale uitgaven aan leveranciers 4e kwartaal 2022 = € 968 + € 1.452 + € 2.601,50 = € 5.601,50
2. Vul de uitgavenkant van het liquiditeitsoverzicht van het 4e kwartaal 2022.
  • crediteuren = € 5.601,50
  • aflossing onderhandse lening = 3 x € 50 = € 150
  • rente onderhandse lening = € 15
  • huur 2 x € 40 = = € 80
  • totaal = € 5.601,50 + € 150 + € 15 + € 80 = 5.266,50

Slide 22 - Tekstslide

Opdracht 4.4 (pagina 37)
Bereken de omzet die Ivana op de winst- en verliesrekening over het 4e kwartaal noteert.
  • omzet = (€ 786,50 + € 847,00 + € 1.331,00) / 121 x 100 = € 4.408
timer
3:00

Slide 23 - Tekstslide

Leerdoelen H4. De exploitatiebegroting
  • Ik kan de begrippen op pagina ? omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan de omzet op basis van een gegeven verkoopprijs berekenen.
  • Ik kan het onderscheid uitleggen tussen het periodetoerekeningstelsel en het kasstelsel.
  • Ik kan de overige opbrengsten berekenen.
  • Ik kan de inkoopwaarde van de omzet en huurkosten berekenen.

Slide 24 - Tekstslide

Inkoopwaarde van de omzet

Slide 25 - Tekstslide

Opdracht 4.6 (pagina 38)
1. Bereken het bedrag waarvoor de voorraad riemen op de openingsbalans stond.
  • 30 x € 12 = € 360
2. Bereken de omzet in de maand mei.
  • 10 x (€ 24,20 / 121 x 100) = € 200
3. Bereken inkoopwaarde van de in mei verkochte riemen.
  • 10 x € 12 = € 120
4. Bereken het bedrag van de post voorraad riemen per 31 mei.
  • 20 x € 12 = € 240
5. Bereken het bedrag van de post te vorderen BTW  per 31 mei.
  • 30 x (€ 12 / 100 x 21) = € 75,60
6. Bereken het bedrag van de post te betalen BTW per 31 mei.
timer
5:00

Slide 26 - Tekstslide

Opdracht 4.6 (pagina 38)
6. Bereken het bedrag van de post te betalen BTW per 31 mei.
  • 10 x (€ 24,20 / 121 x 21) = € 42

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Les & Weektaak
  • wat: opdracht 4.8 (pagina 38) in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder je weektaak opdracht 4.1 t/m 4.14

Slide 29 - Tekstslide

Week 21 (vanaf 18 mei 2026)
Hoofdstuk 4. De exploitatiebegroting
  • terugblik vorige les (exploitatiebegroting en inkoopwaarde v/d omzet)
  • opdracht 4.8 klassikaal bespreken
  • leerdoelen
  • instructie (afschrijvingskosten)
  • opdracht 4.16 klassikaal maken
  • weektaak: opdracht 4.15 t/m 4.31

Slide 30 - Tekstslide

Terugblik (inkoopwaarde van de omzet)

Slide 31 - Tekstslide

Opdracht 4.8 (pagina 38)
1. Bereken de omzet over oktober.
  • verkoopprijs (exclusief BTW) = € 12,10 / 121 x 100 = € 10
  • omzet = € 10 x 60 = € 600
2. Bereken de inkoopwaarde van de omzet over oktober.
  • inkoopprijs (exclusief BTW) = € 4,84 / 121 x 100 = € 4
  • inkoopwaarde van de omzet = € 4 x 60 = ¤€ 240
3. Bereken de omzet over november.
  • omzet = € 10 x 54 = € 540
4. Bereken de inkoopwaarde van de omzet over november.
  • inkoopwaarde van de omzet = € 4 x 54 = € 216

Slide 32 - Tekstslide

Opdracht 4.8 (pagina 38)
5. Bereken het bedrag van de post voorraad telefoonhoesjes.
  • voorraad eind november = (100 - 60) + (100 - 54) = 86
  • bedrag = € 4 x 86 = € 344

Slide 33 - Tekstslide

Leerdoelen H4. De exploitatiebegroting
  • Ik kan de begrippen op pagina ? omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan de omzet op basis van een gegeven verkoopprijs berekenen.
  • Ik kan het onderscheid uitleggen tussen het periodetoerekeningstelsel en het kasstelsel.
  • Ik kan de overige opbrengsten berekenen.
  • Ik kan de inkoopwaarde van de omzet, huurkosten en afschrijvingskosten (op basis van aanschafwaarde) berekenen.

Slide 34 - Tekstslide

Afschrijven
Afschrijven is de waardevermindering van duurzame productiemiddelen door de tijd heen. Duurzame productiemiddelen zijn vaste activa die langer dan één productieproces meegaan. Denk aan een busje, machine, inventaris of laptop. Zo'n productiemiddel betaal je vaak in één keer, maar je gebruikt het meerdere jaren. De kosten verdeel je dan ook over meerdere jaren.

De aanschaf van het duurzame productiemiddel komt
op de balans (debet). Periodiek (veelal jaarlijks) wordt
de boekwaarde van het duurzame productiemiddel minder.
Deze periodieke waardevermindering zie je als afschrijving 
op de balans terug en als afschrijvingskosten op de
 exploitatiebegroting en winst- en verliesrekening.    

Slide 35 - Tekstslide

Afschrijvingskosten


A = aanschafwaarde (inkoopprijs + bijkomende kosten)
R = restwaarde (restwaarde - sloopkosten)
n = geschatte economische levensduur




  • boekwaarde (balanswaarde) = aanschafwaarde - afschrijvingen
  • technische levensduur = hoe lang levert het productie-middel prestaties
  • economische levensduur = hoe lang levert het productie-middel winstgevende prestaties voor de onderneming
afschrijvingskosten=nAR
afschrijvingspercentage=aanschafwaardeafschrijvingskosten

Slide 36 - Tekstslide

Opdracht 4.16 (pagina 41)
1. Bereken de jaarlijkse afschrijvingskosten.
  • afschrijvingskosten = (aanschafwaarde - restwaarde) / geschatte economische levensduur
  • afschrijvingskosten = (€ 3.000 - € 500) / 5 = € 500 per jaar
2. Bereken het vaste jaarlijkse afschrijvingspercentage.
  • afschrijvingspercentage = (€ 500 / € 3.000) x 100% = 16,7% per jaar
3. Bereken de afschrijvingskosten over 2022.
  • afschrijvingskosten 2022 = € 500 x 6/12 = € 250
4. Bereken de boekwaarde per 1 januari 2025.
  • boekwaarde 1 januari 2025 = € 3.000 - 2,5 x € 500 = € 1.750
timer
5:00

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Les & Weektaak
  • wat: opdracht 4.17 (pagina 41) in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder je weektaak opdracht 4.15 t/m 4.31

Slide 39 - Tekstslide

Week 21 (vanaf 18 mei 2026)
Hoofdstuk 4. De exploitatiebegroting
  • terugblik vorige les (exploitatiebegroting en afschrijvingskosten)
  • opdracht 4.17 klassikaal bespreken
  • leerdoelen
  • instructie (loon- en interestkosten)
  • opdracht 4.20 klassikaal maken
  • weektaak: opdracht 4.15 t/m 4.31

Slide 40 - Tekstslide

Terugblik (afschrijven)
Afschrijven is de waardevermindering van duurzame productiemiddelen door de tijd heen. Duurzame productiemiddelen zijn vaste activa die langer dan één productieproces meegaan. Denk aan een busje, machine, inventaris of laptop. Zo'n productiemiddel betaal je vaak in één keer, maar je gebruikt het meerdere jaren. De kosten verdeel je dan ook over meerdere jaren.

De aanschaf van het duurzame productiemiddel komt
op de balans (debet). Periodiek (veelal jaarlijks) wordt
de boekwaarde van het duurzame productiemiddel minder.
Deze periodieke waardevermindering zie je als afschrijving 
op de balans terug en als afschrijvingskosten op de
 exploitatiebegroting en winst- en verliesrekening.    

Slide 41 - Tekstslide

Terugblik (afschrijving)


A = aanschafwaarde (inkoopprijs + bijkomende kosten)
R = restwaarde (restwaarde - sloopkosten)
n = geschatte economische levensduur




  • boekwaarde (balanswaarde) = aanschafwaarde - afschrijvingen
  • technische levensduur = hoe lang levert het productie-middel prestaties
  • economische levensduur = hoe lang levert het productie-middel winstgevende prestaties voor de onderneming
afschrijvingskosten=nAR
afschrijvingspercentage=aanschafwaardeafschrijvingskosten

Slide 42 - Tekstslide

Opdracht 4.17 (pagina 41)
1. Bereken de jaarlijkse afschrijvingskosten.
  • aankoopprijs (exclusief BTW) = € 48.400 / 121 x 100 = € 40.000
  • installatiekosten (exclusief BTW) = € 12.100 / 121 x 100 = € 10.000
  • jaarlijkse afschrijvingskosten = (€ 40.000 + € 10.000 - € 7.000 - € 2.000) / 5 = € 9.000
2. Bereken het jaarlijkse afschrijvingspercentage.
  • afschrijvingspercentage = € 9.000 / € 50.000 x 100% = 18% per jaar
3. Bereken de boekwaarde van de spuitmachine per 1 januari 2023.
  • boekwaarde 1 januari 2023 = € 40.000 - € 3.000 (2021) - € 9.000 (2022) = € 38.000
4. Bereken het resultaat van de verkoop van de machine.
  • verkoop 1 januari 2023 = € 42.350 / 121 x 100 = € 35.000
  • resultaat = € 38.000 - € 35.000 = € 3.000 negatief

Slide 43 - Tekstslide

Leerdoelen H4. De exploitatiebegroting
  • Ik kan de begrippen op pagina ? omschrijven (zie ook LWEO).
  • Ik kan de omzet op basis van een gegeven verkoopprijs berekenen.
  • Ik kan het onderscheid uitleggen tussen het periodetoerekeningstelsel en het kasstelsel.
  • Ik kan de overige opbrengsten berekenen.
  • Ik kan de inkoopwaarde van de omzet, huurkosten, afschrijvingskosten (op basis van aanschafwaarde), loonkosten, interestkosten en overige kosten berekenen.
  • Ik kan een exploitatiebegroting ten dienste van de interne verslaggeving opstellen.
  • Ik kan een winst- en verliesrekening opstellen.
  • Ik kan de (verwachte) verandering van het eigen vermogen als gevolg van (verwachte) opbrengsten, kosten, privéontvangsten en -uitgaven verklaren en berekenen.

Slide 44 - Tekstslide

Loonkosten










Vakantiegeld is vaak 8% van het brutoloon!

Slide 45 - Tekstslide

Opdracht 4.20 (pagina 42)
1. Bereken de jaarlijkse loonkosten van Pien voor Logistiek XL.
  • brutoloon per maand (o.b.v. 30 uur) = € 2.508 / 40 x 30 = € 1.881
  • + vakantiegeld (+ 8%) = € 1.881 x 1,08  = € 2.031,48
  • + sociale werkgeverslasten (+ 30%) = € 2.031,48 x 1,3 = € 2.640,92 
  • brutoloon per jaar (x 12) = € 2.640,92 x 12 = € 31.691,09
2. Bereken de jaarlijkse loonkosten van Marco voor het accountantskantoor.
  • brutoloon per maand (o.b.v. 0,9 FTE) = € 4.700 x 0,9 = € 4.230
  • + vakantiegeld (+ 8%) + sociale werkgeverslasten (+ 30%) = € 4.230 x 1,38 = € 5.837,40
  • brutoloon per jaar (x 12) = € 5.837,40 x 12 = € 70.048,80
timer
5:00

Slide 46 - Tekstslide

Rentekosten (en aflossing)










Je hebt interestkosten (vaak per maand) en interestuitgaven (bijvoorbeeld per jaar)

Slide 47 - Tekstslide

Opdracht 4.24 (pagina 44)
1. Bepaal de interestuitgaven in juli 2020.
  • interestuitgaven juli 2020 = € 0
2. Bereken de interestkosten over juli 2020.
  • interestkosten juli 2020 = € 50.000 x 0,05 x 1/12 = € 208,33
3. Bepaal de interestuitgaven in 2020.
  • interestuitgaven 2020 = € 0
4. Bereken de interestkosten over 2020.
  • interestkosten 2020 = € 50.000 x 0,05 x 6/12 = € 1.250
timer
5:00

Slide 48 - Tekstslide

Slide 49 - Tekstslide

Les & Weektaak
  • wat: opdracht 4.28 (pagina 45) in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder je weektaak opdracht 4.15 t/m 4.31

Slide 50 - Tekstslide