Jaarrekening en verslaggeving (Bedrijfseconomie vwo), les 2: Examentraining

Gedrukt jaarverslag 2018. Foto: 1-Byte, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · VERSLAGGEVING · JAARREKENING

Examentraining

Jaarrekening en verslaggeving: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vier vraagtypen en acht vragen in examenstijl: posten plaatsen en goodwill berekenen, vermogen en waardering, EBITDA en EBIT, en een besluit nemen als derde. Rekenvragen hebben een uitwerking in de notes.

Onderdelen in deze les

Gedrukt jaarverslag 2018. Foto: 1-Byte, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · VERSLAGGEVING · JAARREKENING

Examentraining

Jaarrekening en verslaggeving: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: 1-Byte / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · VERSLAGGEVING · JAARREKENING

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over de jaarrekening oplossen: posten plaatsen, vermogen en waardering toepassen, EBIT(DA) berekenen en een besluit als derde onderbouwen.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · VERSLAGGEVING · JAARREKENING

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wie is de lezer en wat is het gegeven: bedragen, tijdsduur, doel van het bezit?

  • 2. Plaats: kies de post: vast of vlottend, eigen of vreemd vermogen, voorziening of reserve.

  • 3. Reken: werk stap voor stap en controleer: activa = passiva, EBITDA min afschrijving = EBIT.

  • 4. Onderbouw: koppel het antwoord aan een besluit of gevolg voor de stakeholder.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · VERSLAGGEVING · JAARREKENING

Vraagtype 1: posten plaatsen

  • Vraag je af: voor welke periode en met welk doel houdt de bv dit bezit?

  • Jarenlang vasthouden is vast actief; binnen een jaar verkopen of innen is vlottend.

  • Goodwill = koopsom min (bezittingen min schulden).

Deze slide heeft geen instructies

Een bv koopt aandelen van haar leverancier om jarenlang invloed op die leverancier te houden. Welke post?

A

Effecten, bij de vlottende activa

B

Goodwill, bij de immateriële vaste activa

C

Deelneming, bij de financiële vaste activa

D

Voorraad, bij de vlottende activa

Syllabus 32.1. Een belang dat je langere tijd aanhoudt om invloed uit te oefenen is een deelneming. Effecten koop je om op korte termijn te verkopen. Verwachte fout: effecten kiezen omdat het om aandelen gaat.

Een bv betaalt € 680.000 voor een bedrijf met bezittingen € 900.000 en schulden € 300.000. Hoeveel goodwill?

A

€ 220.000

B

€ 380.000

C

€ 80.000

D

€ 600.000

Syllabus 32.1. Bezittingen min schulden = € 900.000 min € 300.000 = € 600.000. Goodwill = € 680.000 min € 600.000 = € 80.000. Controle: € 900.000 min € 680.000 = € 220.000 is het omgekeerde verschil, € 680.000 min € 300.000 = € 380.000 vergeet de bezittingen. Verwachte fout: de schulden niet aftrekken van de bezittingen.

EXAMENSTOF · VERSLAGGEVING · JAARREKENING

Vraagtype 2: vermogen en waardering

  • Aandelenkapitaal = aantal aandelen x nominale waarde; agio = opbrengst boven nominaal.

  • Herwaardering gaat via de herwaarderingsreserve, afwaardering via de kosten.

  • Boekwaarde = aanschafwaarde min afschrijvingen.

Deze slide heeft geen instructies

Een nv geeft 20.000 aandelen van nominaal € 5 uit tegen € 8 per aandeel. Hoe staat dat op de balans?

A

Aandelenkapitaal € 100.000 en agioreserve € 60.000

B

Aandelenkapitaal € 160.000 en agioreserve € 0

C

Aandelenkapitaal € 100.000 en algemene reserve € 60.000

D

Aandelenkapitaal € 60.000 en agioreserve € 100.000

Syllabus 32.1. Aandelenkapitaal = 20.000 x € 5 = € 100.000. Opbrengst = 20.000 x € 8 = € 160.000. Agioreserve = € 160.000 min € 100.000 = € 60.000. Verwachte fout: de hele opbrengst als aandelenkapitaal boeken, of het agio bij de algemene reserve zetten.

Een machine met boekwaarde € 90.000 heeft een actuele waarde van € 60.000. De bv waardeert af. Gevolg?

A

Machine € 90.000 en voorziening van € 30.000

B

Machine € 60.000 en herwaarderingsreserve + € 30.000

C

Machine € 60.000 en resultaat € 30.000 hoger

D

Machine € 60.000 en € 30.000 extra kosten

Syllabus 32.1. Afwaardering: boekwaarde omlaag van € 90.000 naar € 60.000 en het verschil van € 30.000 is een kost in de resultatenrekening, dus het resultaat daalt. Verwachte fout: de daling als herwaardering of als voorziening boeken.

EXAMENSTOF · VERSLAGGEVING · JAARREKENING

Vraagtype 3: EBITDA en EBIT

  • EBITDA = omzet min inkoop-, personeels- en overige kosten.

  • EBIT = EBITDA min afschrijvingen. Resultaat = EBIT min interest (zonder belasting).

  • Vergelijk bedrijven op EBIT als afschrijvingen sterk verschillen.

Deze slide heeft geen instructies

Pastabar Bos B.V.: omzet € 840.000, inkoop € 310.000, personeel € 280.000, overig € 90.000, afschrijving € 60.000, interest € 25.000. EBITDA?

A

€ 100.000

B

€ 160.000

C

€ 75.000

D

€ 220.000

Syllabus 32.1. Uitwerking: € 840.000 min € 310.000 min € 280.000 min € 90.000 = € 160.000. EBIT is € 100.000 (min afschrijving), resultaat € 75.000 (min interest), € 220.000 is EBITDA plus afschrijving. Nagerekend: 840 - 310 = 530; 530 - 280 = 250; 250 - 90 = 160. Verwachte fout: de afschrijving of interest wel aftrekken.

Bv X: EBITDA € 400.000, afschrijving € 150.000. Bv Y: EBITDA € 380.000, afschrijving € 60.000. Welke uitspraak klopt?

A

Y heeft het hoogste EBIT

B

X heeft het hoogste EBIT, want X heeft de hoogste EBITDA

C

X en Y hebben evenveel EBIT

D

Het EBIT van X is € 550.000

Syllabus 32.1. EBIT X = € 400.000 min € 150.000 = € 250.000. EBIT Y = € 380.000 min € 60.000 = € 320.000. Y heeft dus € 70.000 meer EBIT. Verwachte fout: alleen naar EBITDA kijken, of afschrijvingen bij EBITDA optellen (€ 550.000).

EXAMENSTOF · VERSLAGGEVING · JAARREKENING

Vraagtype 4: besluit als derde

  • Vraag je af: wie leest en welk besluit moet die nemen?

  • Bank: onderpand en vreemd vermogen. Belegger: resultaat en reserves.

  • Niet-financiële gegevens werken door in latere kosten en opbrengsten.

Deze slide heeft geen instructies

Een bank overweegt een hypothecaire lening aan een bv. Welke balanspost is het meest geschikt als onderpand?

A

Goodwill, bij de immateriële vaste activa

B

Ontwikkelkosten, bij de immateriële vaste activa

C

Het bedrijfspand, bij de materiële vaste activa

D

Overlopende posten, bij de vlottende activa

Syllabus 32 en 32.1. Een hypothecaire lening heeft het pand als onderpand; het pand is tastbaar en verkoopbaar. Goodwill en ontwikkelkosten hebben geen fysieke waarde die los van het bedrijf is te verkopen. Verwachte fout: een immaterieel activum kiezen omdat het veel waard lijkt.

Een belegger leest in het bestuursverslag dat de klanttevredenheid van een bv sterk is gedaald. Wat is het meest verwachte gevolg?

A

Geen gevolg, want het staat niet in de jaarrekening

B

Kans op minder omzet en resultaat in latere jaren

C

De goodwill op de balans stijgt direct

D

De voorzieningen op de balans dalen direct

Syllabus 32.5. Niet-financiële informatie (klanttevredenheid) voorspelt latere financiële cijfers: ontevreden klanten kopen minder of gaan naar de concurrent. Verwachte fout: denken dat alleen de jaarrekening telt voor een besluit.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Posten plaatsen

2

Vermogen en waardering

3

EBITDA en EBIT

4

Besluit als derde

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen eerst.

EXAMENSTOF · VERSLAGGEVING · JAARREKENING

Tips voor op het examen

  • Controleer bij een balans altijd: totaal activa is gelijk aan totaal passiva.

  • Vraag je bij elke post af: hoe lang houdt de bv dit, en aan wie hoort het geld?

  • Een herwaardering gaat naar het eigen vermogen, een afwaardering naar de kosten.

  • Schrijf bij een besluitvraag eerst wie de lezer is en dan de post die voor die lezer telt.

Deze slide heeft geen instructies