Bespreking Oefentoets H3 KGT

Bespreking Oefentoets H3 KGT
Stoffen en materialen & Bouw van de materie
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 3,4

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Bespreking Oefentoets H3 KGT
Stoffen en materialen & Bouw van de materie

Slide 1 - Tekstslide

Welkom
Welkom 
4k.nsk1

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Opgave 1a

In de binas staat dat het smeltpunt van suiker 458 K is. Reken uit hoeveel °C dat is?

  • Smeltpunt = 458 - 273 = 185°C

Opgave 1b

Glycerol heeft een smeltpunt van 18°C en een kookpunt van 290°C. 

In welke fase bevindt Glycerol zich bij kamertemperatuur?
Kies uit: Vast - Vloeibaar - Gas

  • Vloeibaar

Slide 7 - Tekstslide

Vraag 2: Een timmerman zaagt een plank door. Hij heeft nu 2 stukken hout. Het ene stuk is 2x zo groot als de andere.
Welke bewering is juist?
A
Het grote stuk hout heeft een grotere dichtheid dan het kleine stuk
B
Het grote stuk hout heeft een kleinere dichtheid dan het kleine stuk
C
Het grote stuk hout heeft dezelfde dichtheid dan het kleine stuk

Slide 8 - Quizvraag

Opgave 3

Je vindt een stuk van een metaal. Je weegt het, het blijkt 32,0 gram te wegen. Je bepaalt het volume, dat blijkt 3,57 cm3 te zijn.

Bepaal de dichtheid van dit metaal. 
En zoek in de BINAS op om welk metaal het gaat.

Gegevens:
  • m = 32,0 g
  • V = 3,57 cm3
Gevraagd:
  •  p = ? g/cm3
Formule:
  • p = m : V
Uitwerking:
  • p = 32 : 3,57
Antwoord:
  • p = 8,96 g/cm3
  • Het metaal is Koper

Slide 9 - Tekstslide

Opgave 4a
Peter heeft altijd een reserver jerrycan diesel in zijn auto, voor als hij zonder diesel komt te staan.
Diesel is ontvlambaar. 
Welk pictogram hoort er op zijn jerrycan met diesel te staan?
A:                                  B:


C:                                  D:


  • Juiste antwoord = C (Binas 31 + 34)
Opgave 4B
Diesel veroorzaakt ook huidirritatie. 
Noem twee voorzorgsmaatregelingen om het risico van huidirritatie te verminderen.
  • dragen handschoenen
  • beschermende kleiding
  • gelaatsbescherming

Slide 10 - Tekstslide

Vraag 5:
Henri ziet op het scherm van zijn laptop een melding die aangeeft dat het inktpatroon van zijn printer bijna leeg is. Hij neemt het inktpatroon mee naar de winkel en laat het opnieuw vullen met inkt.
A
Verspanen
B
Corrosie
C
Hergebruik
D
Recycling

Slide 11 - Quizvraag

Vraag 6:
Is de volgende bewering waar of niet waar?

Je laptop op stand-by laten staan als je het apparaat niet gebruikt is een voorbeeld van duurzaam leven.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 12 - Quizvraag

Vraag 7a:
vraag 7 gaat over voorbeelden van allerlei soorten afval. Bepaal welk soort afval het is.

Onkruid uit de tuin?
A
PMD
B
KCA
C
GFT
D
Restafval

Slide 13 - Quizvraag

Vraag 7b:
vraag 7 gaat over voorbeelden van allerlei soorten afval. Bepaal welk soort afval het is.

De spaarlamp die niet meer werkt?
A
PMD
B
KCA
C
GFT
D
Restafval

Slide 14 - Quizvraag

Vraag 8:
Je hebt een rubberen dop en een bak met water.

Wat zal het rubberen blokje doen, als je het in de bak legt?
A
De rubberen dop zal drijven in het water
B
De rubberen dop zal oplossen in het water
C
Het rubberen blokje zal zweven onder het wateroppervlakte
D
De rubberen dop zal gaan zinken in het water

Slide 15 - Quizvraag

Vraag 9
Welke uitspraak over corrosie is juist?
A
Corrosie kan voorkomen worden door het metaal te verwarmen
B
Corrosie komt alleen voor bij metalen die met water in aanraking komen
C
Corrosie wordt ook wel roest genoemd
D
Bij corrosie reageert een metaal met zuurstof en vocht uit de lucht

Slide 16 - Quizvraag

Vraag 10

Wat zijn materialen?
A
Materialen bestaan uit één of meer stoffen met een speciale toepassing
B
Materialen zijn gemaakt van hout met een aparte kleur
C
Materialen zijn gemaakt van metalen met een speciale, mooie glans
D
Plaatmateriaal

Slide 17 - Quizvraag

Opgave 11

Je hebt een blokje goud van 
5 × 10 × 2 centimeter. 
Bereken aan de hand van het schema de massa van dit blokje. Gebruik BINAS. 

Gegevens:
  • V = 5x10x2 = 100 cm3
  •  p = 19,30 g/cm3
Gevraagd:
  • m = ? g
Formule:
  • m = p x V
Uitwerking:
  • m = 19,3 x 100
Antwoord:
  • m = 1930 g

Slide 18 - Tekstslide

Vraag 12: Kun je een loden pannetje gebruiken om water te verwarmen tot 100 °C (373 K)?
Houd er rekening mee, dat de vlam van de brander ongeveer 750 °C ((1023 K) wordt.
A
Nee, dat gaat niet, lood smelt bij 601 K
B
Ja, dat kan, lood smelt bij 601 K
C
Nee, dat gaat niet, lood smelt bij 601°C
D
Ja, dat kan, lood smelt bij 601°C

Slide 19 - Quizvraag

Vraag 13

Welke bewering over de aantrekkingskracht tussen moleculen is juist?
A
Moleculen trekken elkaar altijd sterk aan, anders valt de stof uit elkaar
B
Moleculen in vaste stoffen trekken elkaar het sterkst aan vergeleken met gassen
C
Moleculen in vaste stoffen trekken elkaar zo sterk aan dat ze niet meer bewegen
D
Moleculen trekken elkaar nauwelijks aan, door de bewegen blijven ze bij elkaar

Slide 20 - Quizvraag

Opgave 14:
Je hebt twee even grote blokjes van 1 cm3. Je bepaalt de massa van beide. Het ene blokje heeft een massa van 2,4 gram, de andere van 0,92 gram.

Tip: dichtheid is in g/cm3

Waarvan zijn deze blokjes gemaakt?

Het blokje van 2,4 gram is:
  • dichtheid is in [g/cm3] =>
  • Porselein (p = 2,4 g/cm3)

Het blokje van 0,92 gram is:
  • dichtheid is in [g/cm3] =>
  • IJs (p = 0,92 g/cm3)

Slide 21 - Tekstslide

Vraag 15

Klik de chemische reacties aan:
A
Kaarsvet verbrand
B
Kaarsvet smelt
C
Aardappels bakken
D
Benzine dat verdampt

Slide 22 - Quizvraag

Vraag 16

De halveringstijd is:
A
De tijd waarin een metaal nog maar de helft van zijn waarde heeft
B
De tijd waarin het aantal atoomkernen met de helft vermeerderd is
C
De tijd waarin de helft van de hoeveelheid straling door een bepaalde plaat gaat
D
De tijd waarin de helft van de atoomkernen in een stof uit elkaar gevallen is

Slide 23 - Quizvraag

Vraag 17a
Welke straling hoort erbij?

Deze straling wordt al tegengehouden door papier of je huid.
A
Alphastraling
B
Bétastraling
C
Gammastraling
D
Röntgenstraling

Slide 24 - Quizvraag

Vraag 17b
Welke straling hoort erbij?

Deze straling heeft het grootste doordringend vermogen
A
Alphastraling
B
Bétastraling
C
Gammastraling
D
Röntgenstraling

Slide 25 - Quizvraag

Vraag 18a

In de afbeelding zie je het atoom Helium.
Het gele bolletje is een
A
Atoom
B
Elektron
C
Neutron
D
Proton

Slide 26 - Quizvraag

Vraag 18b

In de afbeelding zie je het atoom Helium.
Welke deeltjes zitten in de kern?
A
Atomen
B
Elektronen
C
Neutronen
D
Protonen

Slide 27 - Quizvraag

Vraag 18c

In de afbeelding zie je het atoom Helium.
Wat is het atoomnummer en de atoommassa van Helium?
A
Atoomnummer 2 Atoommassa 4
B
Atoomnummer 4 Atoommassa 6
C
Atoomnummer 6 Atoommassa 4
D
Atoomnummer 4 Atoommassa 2

Slide 28 - Quizvraag

Opgave 19a
Halveringstijd & Activiteit

Bij de start van een meting van radioactief ijzer heb je 1.000.000 Fe-59 atomen.

Zoek in de binas de halfwaardetijd op van Fe-59 atomen.
  • 45 dagen 
  • Binas 32

Opgave 19b
Bereken hoe lang je moet wachten voordat er nog maar 125.000 Fe-59 atomen over zijn.

Laat jouw berekening zien.
  • 0 dagen     = 1.000.000 atomen
  • 45 dagen   =    500.000 atomen
  • 90 dagen   =    250.000 atomen
  • 135 dagen =    125.000 atomen
  • Dus rond de 135 dagen

Slide 29 - Tekstslide

Vraag 20
Een archeoloog vindt na duizenden jaren drie voorwerpen terug: een ijzeren zwaard, een bronzen beeldje en een gouden ring.
Welke uitspraak is juist?
A
Alle 3 voorwerpen zijn sterk gecorrodeerd en daardoor onherkenbaar
B
Het ijzeren zwaard is nog in perfecte staat, want ijzer corrodeert niet
C
De gouden ring is nog onveranderd, want goud corrodeert niet
D
Alleen het gouden voorwerp is sterk aangetast, want goud corrodeert snel

Slide 30 - Quizvraag

Vraag 21: Faseovergangen
Welke uitspraak over de faseovergang van vloeibaar naar gas klopt?
Er zijn meerdere antwoorden juist.
A
De moleculen gaan langzamer bewegen als de faseovergang van vloeibaar naar gas gaat
B
De aantrekkingskracht wordt kleiner als de faseovergang van vloeibaar naar gas gaat.
C
De moleculen gaan sneller bewegen als de faseovergang van vloeibaar naar gas gaat
D
De aantrekkingskracht wordt groter als de faseovergang van vloeibaar naar gas gaat.

Slide 31 - Quizvraag

Vraag 22: Radioactieve straling
Radioactieve stoffen zenden altijd straling uit.
Welke van de onderstaande antwoorden zijn gevaren van radioactieve straling?
(let op, meerdere antwoorden kunnen juist zijn)
A
Radioactieve straling kan cellen beschadigen, waardoor kanker ontstaat.
B
Radioactieve straling kan metalen laten roesten
C
Radioactieve straling kan het DNA in cellen veranderen
D
Radioactieve straling kan eten sneller bederven

Slide 32 - Quizvraag

Dit was de Diagnostische toets
Bekijk thuis de toets nogmaals (H6.3) en kijk welke onderwerpen je nog niet goed beheerst
=> ga naar learnbeat H3.14 "extra oefenen" en klik deze onderwerpen aan en maak de extra opdrachten

Slide 33 - Tekstslide